
De ongenode gast
Auteur
Lezers
2,0M
Hoofdstukken
51
Hoofdstuk 1
Coral
Ik kreeg voor het eerst argwaan toen ik de slaappillen ontdekte. Mijn moeder waarschuwde me vroeger altijd om mijn gave niet te gebruiken, en hield vol dat het alleen maar voor problemen zou zorgen. Maar dit was belangrijk.
Zodra ik de deur van meneer Dixons werkkamer hoorde dichtgaan, stuurde ik mijn geest de kamer in. Ik kan niet goed uitleggen hoe ik het doe. Het is alsof ik mijn geest een duwtje geef en hem stuur naar de plek waar ik wil zijn. Dan voelt het alsof ik daar ben, zelfs als dat niet zo is. De meeste mensen hebben niet door dat ik er ben, maar sommigen zijn er gevoelig voor en kunnen me voelen, ook al zien ze me niet. Mijn moeder noemde het altijd kijken op afstand. Ik zie het liever als een unieke manier van stiekem afluisteren.
Er was nog een man in de kamer, net zo klein als meneer Dixon. Zijn bruine haar en sikje waren perfect verzorgd. Zijn ogen stonden dicht bij elkaar en lagen diep in hun kassen. Hij straalde een sfeer van gevaar uit, het soort dat elk meisje de andere kant op zou moeten laten rennen.
„Ik kan me geen fouten veroorloven bij deze; ik heb al een koper,“ zei de man. „En laten we haar niet op dezelfde manier meenemen als de vorige. Zij ontsnapte bijna.“
„Hmm, wat dacht je ervan als je haar 's nachts meeneemt? Ik zal ervoor zorgen dat Harriet de meiden hun normale slaappillen geeft, en dan geven we haar een dubbele dosis waardoor ze praktisch in coma raakt,“ stelde meneer Dixon voor.
Het bloed stolde in mijn aderen.
„Dat zou kunnen werken,“ zei de man bedachtzaam. „Al word ik liever niet gezien in jouw buurt.“
Meneer Dixon pakte zijn whiskey en nam een grote slok; ik kon het smerige spul bijna ruiken.
„Coral is een heel speciaal meisje, en ik zeg het niet graag, maar de prijs voor haar is een flink stuk hoger dan je voor de vorige hebt betaald. Dus ik heb een bevestiging nodig dat je haar kunt betalen voordat we afspraken maken.“
De man draaide zich om en keek meneer Dixon boos aan. „Wat kan ik zeggen?“ Meneer Dixon hield zijn handen omhoog, bijna verontschuldigend. „Ik heb nog meer geïnteresseerden.“
Ik verloor bijna mijn focus toen ik mijn naam hoorde. Ze hadden het over mij. Oh mijn god, ze waren van plan om me te verkopen. Ik wist dat de Dixons onbetrouwbaar waren, maar dit was veel erger dan ik ooit had kunnen bedenken! Ik vocht om mijn focus te behouden. Mijn hart bonsde in mijn borst en de gal kwam omhoog in mijn keel. Ik worstelde om mezelf te kalmeren, wanhopig om geen woord meer van hun gesprek te missen.
„………. opnieuw onderhandelen, denk je niet?“
„Niet echt,“ zei meneer Dixon luchtig. „Het is …………. een samenwerking.“
„Prima, ………. prijs, maar als je denkt dat je de prijs kunt verhogen voor elk ………….. meisje dat ik koop, heb je het flink mis,“ beet de man hem toe.
Ik klemde mijn tanden op elkaar en zette me schrap, terwijl ik mijn aandacht focuste. Ik moest hun plannen weten; mijn leven hing ervan af! Een ijskoude kalmte kwam over me heen.
„Ik neem aan dat je geen idee hebt hoeveel het kost om deze meiden gezond en fit te houden? Noem het inflatie, als je wilt,“ zei meneer Dixon.
„Onderschat me niet. Ik weet hoeveel de staat je vergoedt.“ De man keek donker en zijn wenkbrauwen raakten elkaar bijna in het midden van zijn voorhoofd.
„Als het geld morgen op mijn rekening staat, is het meisje van jou,“ zei meneer Dixon beslist. Hij stond op uit zijn stoel en gaf de man een stuk papier.
De man rukte het uit de hand van meneer Dixon en hield het vast. Ik probeerde het te lezen, maar ik kwam te dichtbij. De man met het sikje draaide zijn hoofd alsof hij mijn aanwezigheid voelde; ik deinsde gehaast achteruit.
Hij keek weer neer op het papier en snauwde. „Fucking diefstal op klaarlichte dag!“
„Dus, hebben we een deal?“ vroeg meneer Dixon rustig.
„Deze keer wel. Ik kom haar ophalen in de nacht van haar achttiende verjaardag. Je kunt er maar beter voor zorgen dat alles in orde is.“ Ik kon de onderliggende woede in zijn stem horen, dus ik nam aan dat meneer D een bizar hoog bedrag rekende.
Woede en verontwaardiging vulden me. Hoe durfden ze? Ik kon niet langer blijven. De emotionele chaos trok mijn geest razendsnel terug naar mijn lichaam. Ik sloeg mijn armen om mijn knieën, sloot mijn ogen en haalde diep adem.
Ik woonde al twee jaar in het Dixon Tehuis voor Tienermeiden. Ondanks dat ik een levend familielid had, besloot de rechter in het voordeel van het Tehuis, om drie redenen. Ten eerste was mijn tante te jong; ze was pas negentien toen mijn moeder stierf. Ten tweede woonde ze in een klein eenkamerappartement en verdiende ze niet genoeg geld om een grotere plek te kunnen betalen. Ten derde werkte ze in ploegendiensten.
Het was ironisch. Mijn moeder verdiende ook niet genoeg geld, en wij woonden ook in een piepklein appartementje met één slaapkamer, en dan ook nog eens in de slechtste buurt van de stad. Mijn tante Liz probeerde de uitspraak aan te vechten, maar zonder een grote zak geld wilde geen enkele advocaat de zaak aannemen. Na de uitspraak was tante Liz naar de andere kant van de staat verhuisd. Hoewel ze had beloofd om te schrijven, had ik nog geen enkele brief gekregen. Ik had ook geen manier om contact met haar op te nemen. Ik begon me af te vragen of de Dixons mijn brieven stalen. Het was ook niet alsof ik de andere meiden ooit brieven zag krijgen.
Ik wilde terug naar binnen gaan om te zien of meneer Dixon het over mijn beste vriendin Derry had, maar mijn emoties zaten te hoog. Het zou me nooit lukken om me te concentreren, en ik vreesde nu het ergste. Derry en ik scheelden maar zes maanden. We waren van plan om te gaan samenwonen als ik achttien werd, maar ze was nooit meer teruggekomen. Ik wist toen al dat er iets niet klopte. Derry zou me nooit zomaar in de steek laten.
Nu ik erover nadacht, had geen van de meiden ooit meer dan één dag nodig om een baan te vinden. Als ik terugkwam uit school, waren de meiden voorgoed weg, en namen nieuwkomers hun plaats in.
Het gevoel dat er iets vreselijks met Derry was gebeurd, knaagde aan me. Bovendien was het toch niet logisch dat elk meisje zo snel een baan vond?
Ik had al eerder geprobeerd om Derry op te sporen met mijn gave, door mijn geest de straten van Emberg in te sturen en uiteindelijk naar Havelton. Daarvoor had ik mijn geest nog nooit zo ver weggestuurd, maar het was net zo makkelijk als in het Tehuis.
Maar ik was onrustig en bezorgd, dus stuurde ik mijn geest weer naar buiten. Ik zweefde over Emberg en Havelton in, in een nieuwe poging om Derry te vinden. Het was laat, en de straten van Havelton waren stil. Ik zag een verlicht hotel en las het bord: Hiberion. Mijn nieuwsgierigheid zorgde ervoor dat ik inzoomde op de lobby. De lift gaf een tingelend geluid, en er stapte een man uit.
Ik had nog nooit iemand gezien die zo lang was, zeker een meter vijfennegentig, met kort donkerbruin haar dat bijna zwart was. Hij had intense hazelnootkleurige ogen, omlijst door perfecte wenkbrauwen. Hij had een vierkante kaaklijn met een klein litteken bij de hoek van zijn volle bovenlip, wat hem er gevaarlijk uit liet zien. Mijn hart ging sneller kloppen terwijl ik keek hoe hij door de lobby naar de receptie liep. Ik was betoverd door de breedte van zijn schouders. Zijn colbert hing nonchalant over één schouder heen. De mouwen van zijn overhemd waren opgerold, waardoor zijn brede polsen en gespierde onderarmen zichtbaar waren. Goddelijke proporties, was de gedachte die in me opkwam. Zo knap en zelfverzekerd. Ik voelde me tot hem aangetrokken en ging dichterbij.
Zijn hoofd draaide zich plotseling in mijn richting, en ik werd geraakt door een aura dat zo krachtig was dat de rillingen over mijn rug liepen. Wie was deze man, en waarom voelde ik me zo sterk tot hem aangetrokken?
Ik deinsde snel achteruit omdat hij me duidelijk kon voelen, en ik schoot hard terug in mijn lichaam.
De reis had al mijn energie weggezogen, en mijn oogleden begonnen zwaar te worden. Nog steeds geen Derry.
En nu had ik drie dagen de tijd om een ontsnappingsplan te bedenken.

















































