
De roep van de alfa Boek 5
Auteur
Bianca Alejandra
Lezers
58,1K
Hoofdstukken
15
Het begin van het einde
LYLA
Sebastians hand kneep in de mijne terwijl we naar de glimmende Ferrari liepen. Ik schudde mijn hoofd over hoe duidelijk hij met zijn geld pronkte. Sebastians oom Arthur hield er erg van om aan iedereen te laten zien dat hij rijk was.
Arthur zat voorin de Ferrari en lachte breed naar Sebastian. “Stap in, Kneusje. We gaan op avontuur.”
“Dat zei je ook al toen je me vroeg om af te spreken”, mopperde Sebastian.
Hij deed de deur open en fronste.
Arthur trok een wenkbrauw op. “Is er een probleem?”
“Er is niet genoeg plek voor Lyla”, zei Sebastian.
Ik keek over zijn schouder mee. Sebastian had gelijk. Er waren maar twee stoelen, en Arthur zat op één daarvan. Ik fronste. Wilde hij soms voorkomen dat ik met hen mee zou gaan?
“Ze kan gewoon op je schoot zitten, als je per se wilt dat ze meekomt”, zei Arthur.
Sebastian gromde even en deed een stap achteruit. Hij keek me aan. “Wat vind jij ervan?”
Ik was echt niet van plan om Sebastian alleen met Arthur mee te laten gaan. Arthur was dan wel de oom van Sebastian, maar er was nog steeds veel boosheid. Dat was jaren geleden door Sebastians vader veroorzaakt.
Ik vertrouwde Arthur niet.
Wie wist wat hij nu weer van plan was?
“Ik ga wel op je schoot zitten”, zei ik tegen Sebastian.
Sebastian kneep nog een keer in mijn hand en stapte de auto in.
Arthur trapte het gaspedaal diep in. De auto schoot met zo’n ruk naar voren dat de deur keihard dichtsloeg. Ik riep het uit, schrok me kapot en sprong achteruit.
Ik viel op de achterkant van de Ferrari. Ik gleed er bijna af, maar Sebastian greep mijn pols en trok me hard naar zich toe. Ik schoof over de auto en viel op Sebastians schoot. Onze armen en benen raakten in de knoop, en ik botste tegen zijn borst.
Arthur begon te lachen. Hij remde niet af terwijl Sebastian en ik haastig de autogordel over ons allebei heen trokken.
“Wat is er verdomme mis met jou?” beet ik Arthur toe, terwijl mijn klauwen begonnen te groeien.
“Mijn lieve kind, we hebben geen tijd om die vraag te beantwoorden”, antwoordde Arthur, terwijl hij nog steeds lachte.
Sebastian gromde. “Als je nog een keer zoiets flikt…”
Arthur liet de Ferrari heel langzaam rijden en keek naar ons. “Wat wil je eraan doen, Kneusje? Jouw roedel heeft mij nodig.”
“Nee, we hebben geld nodig”, snauwde ik. Ik kreeg nu al hoofdpijn van deze man.
“En voor geld heb je mij nodig. Je weet dat als ik sterf, al mijn geld naar de bouw van een enorm standbeeld voor mezelf gaat. Jij krijgt helemaal niets, ook al ben je mijn neef.”
Sebastian beet zichtbaar op zijn tong.
We dachten geen van beiden dat Arthur de roedel of ons iets zou geven.
Ik baalde ervan dat hij gelijk had. We hadden hem echt nodig, in ieder geval voor nu. De Royal roedel zat al een tijdje in een slechte situatie, en we kwamen er pas net weer een beetje bovenop.
Arthur had de belangrijkste gijzelaar... de toekomst van onze roedel. Ik leunde ontspannen tegen Sebastians borst en gaf hem een troostende kus.
Een luna zijn was anders dan ik had verwacht. Maar de taken die Sebastian had als alfa waren heel duidelijk. Zolang Arthur nog hulp aan de roedel bood, zou Sebastian zijn gedrag accepteren.
“Dus, waar gaan we heen?” vroeg ik uiteindelijk.
Arthur grijnsde gemeen. “Het vliegveld.”
“En daarna?” vroeg Sebastian.
“Ergens anders heen”, zei Arthur.
Sebastian en ik keken elkaar aan. Tjongejonge. Dit ging een lange reis worden.
“Wat gaan we doen dan?” drong ik aan.
Hij gaf geen antwoord.
“Ga je het ons nog vertellen?” vroeg ik.
Arthur gaf weer gas. De snelheid duwde me naar achteren, tegen Sebastian aan. Zijn sterke armen sloegen om mijn middel. Ik lachte toen hij met zijn neus in mijn nek wreef.
Het was fijner dan ik had gedacht om zo razendsnel over de weg te scheuren. Het gaf Sebastian en mij in elk geval een mooi excuus om dicht tegen elkaar aan te kruipen.
Uiteindelijk stopten we bij een vliegveld. Arthur stapte uit en haalde een kleine koffer uit de kofferbak.
Sebastian en ik keken elkaar aan.
“Waar gaan we heen?” vroeg Sebastian nog een keer.
“Naar het noorden”, antwoordde Arthur.
Ik liet mijn hand in die van Sebastian glijden. “Als we hadden geweten dat we op reis gingen, hadden we spullen ingepakt.”
“Als ik had geweten dat het kneusje zijn knappe mate zou meenemen, dan had ik zelf ook iets moois meegenomen”, zei Arthur.
Sebastian gromde.
Arthur grinnikte.
“Het boeit me niet dat je het grappig vindt om mijn mate boos te maken”, zei ik tegen Arthur. “Maar je moet ons echt vertellen wat we gaan doen.”
Arthur zwaaide dat we hem moesten volgen en liep naar zijn privévliegtuig.
Uiteindelijk haalde hij zijn schouders op. “Oké, ik kan jullie wel iets vertellen. De vorige keer waren we op zoek naar de sluier van de eerste Maangodin. Ik heb het je nog steeds niet vergeven dat je die kapot hebt gemaakt.”
Hij keek me woedend aan. Ik kromp even ineen. Ik dacht echt dat de sluier nep was. Ik had hem opgedaan om dat te bewijzen... maar de sluier was toen in mijn handen tot as verbrand.
“We zoeken nu naar iets anders dat van de eerste Maangodin is geweest”, zei Arthur terwijl hij ons zijn vliegtuig in leidde.
“Wat dan?” vroeg Sebastian.
Arthur schudde zijn hoofd. “Nog niet. Ik vertel het je wel zodra je het moet weten.”
SEBASTIAN
Lyla viel in mijn armen in slaap, terwijl we in Arthurs privévliegtuig vlogen. Ik probeerde meer informatie uit hem te krijgen, maar hij weigerde.
Als ik hem beter had gekend, had ik misschien gedacht dat hij er bezorgd uitzag.
“Probeer wat te slapen, Kneusje”, zei hij tegen me.
“Waarom?” vroeg ik wantrouwig.
Oom Arthur schudde zijn hoofd. “Je gaat het nodig hebben.”
Hij kon hier toch niet veel doen zonder dat Lyla of ik het wisten, dacht ik. Met mijn mate veilig in mijn armen viel ook ik in slaap.
Ik werd tegelijk met Lyla wakker toen we landden op de landingsbaan. Ik geeuwde terwijl ik uit het raam keek. We werden omringd door prachtige bergen. Mijn ogen werden groot. Hoe ver hadden we gevlogen?
“Welkom in Banff, Canada”, zei Arthur.
“Canada?” herhaalde ik. “Wat doen we hier? Waarom zou hier iets zijn dat van de eerste Maangodin is geweest?”
“Verwacht je nu echt dat ik daar antwoord op geef?” vroeg Arthur.
Ik rolde met mijn ogen en zette de tv aan op het nieuws. Ik vond het belangrijk om te weten wat er in de wereld gebeurde.
“We hebben geen tijd voor…” begon Arthur, maar hij viel stil.
Lyla hapte naar adem.
Op tv zag je beelden uit de Heilige Stad. De basiliek, waar de Maangodin woonde, was veranderd in een kapotte hoop stenen en vuur.
Mijn longen voelden alsof ze bevroren waren. Ik kon geen adem halen.
De nieuwslezer stapte in beeld. De brandende puinhoop achter hem laaide hoog op. “Door de aanval op de Heilige Stad vanochtend vroeg zijn de tempel van de Maangodin en de basiliek verwoest.”
“Verwoest”, herhaalde Arthur. Hij klonk vreemd ernstig.
“Er is nog geen nieuws over de Maangodin. Men denkt dat ze dood is”, ging de verslaggever verder.
Arthur pakte de afstandsbediening en zette de tv uit.
“Oh, nee”, fluisterde Lyla. Ze leunde tegen mijn zij, en ik trok haar dichter naar me toe. “Wie zou zoiets doen?”
“Mercer”, zei ik.
Lyla verstijfde. “Mercer... je hebt gelijk. Hij zou dat doen. Hij gebruikte de Maangodin om haar kracht. Hij wilde alle halfbloeden opsluiten. Zij heeft hem toen opgesloten, maar hij is ontsnapt. Nu wil hij vast wraak nemen.”
Ik draaide me om naar Arthur. Zijn gezicht stond vreemd gespannen. Ik deed mijn mond open om te vragen of het wel goed met hem ging. Maar hij draaide zich van me af.
“Laten we gaan”, zei hij.
Lyla en ik keken elkaar aan en volgden hem zonder iets te zeggen.













































