
De Zeven Zondaars Boek 2
Auteur
Lezers
53,7K
Hoofdstukken
29
Hoofdstuk 1
Boek 2: De Legende van Afgunst
AVOND 2.555
ZANTHUS
Zanthus zat heel stil, bijna pijnlijk stil, terwijl de raad samen een goede tijd had. Hij bevond zich altijd aan de zijlijn. Hij stond nooit in het middelpunt om van het vermaak te genieten.
Vroeger genoot hij van dingen zoals vrienden, familie en tv. Maar nu?
Nu was hij niets. Hij was niets meer dan een lege huls van een vampier. Hij hoopte dat het volgende gevecht zijn leven zou beëindigen. Soms dacht hij aan de rust om er een eind aan te maken.
Nee, hij dacht er eigenlijk niet alleen maar aan. Soms stelde hij zich echt voor hoe hij een einde zou maken aan zijn bestaan in deze wereld.
Toch zou hij het niet doen.
Soms vroeg hij zich af waarom verdomme niet.
Terwijl hij aan de bar zat, keek hij naar zijn broers. Ze haalden ontspannen herinneringen op aan van alles en nog wat. Quillian was iemand aan het verslaan met een spelletje. Hij was jaloers op hun geluk. Hij was jaloers dat ze gelukkig konden zijn.
Plotseling stond Lycidas op. Hij pakte de hand van zijn geliefde. Adrasteia glimlachte naar haar man en trok hem de kamer uit. Je hoefde niet slim te zijn om te weten wat ze gingen doen.
Die twee waren niet alleen gelukkig, ze waren verliefd. Ze waren elkaars geliefden.
Zanthus stond plotseling op en liep de spelletjeskamer uit. Hij liep snel de trap op naar zijn kamer. Hij sloeg de deur hard achter zich dicht. Gefrustreerd haalde hij een hand door zijn donkere, wilde haar.
Bovenal was hij jaloers op Lycidas en Adrasteia. Ze hadden de wereld aan hun voeten. Ze hadden elkaar.
Het voelde voor hem als een verdomde belediging dat zijn geliefde was gestorven. Wat een fucking onzin! Zo zou zijn leven er vanaf nu uitzien.
Al zijn broers zouden hun partners vinden en misschien kinderen krijgen. Al zijn broers zouden gelukkig worden. Ze zouden genieten van de zachte huid van hun geliefden.
En hij? Hij had alleen nog haar spullen om van te genieten.
Zijn kamer hier was leeg. Er was geen decoratie, er waren geen boeken en er was geen vermaak. Dit was niet zijn thuis. Dat was het al heel lang niet meer.
Hij pakte zijn autosleutels van het kastje en haastte zich weer naar beneden. Hij nam geen afscheid toen hij naar buiten liep. In het maanlicht startte hij zijn Rover.
Zijn broers hadden hem verteld dat hij haar moest loslaten. Maar ze begrepen het niet. Niemand kon de intense pijn begrijpen die hij elk moment van de dag voelde. Zijn geliefde, zijn Camila, was weg.
Zijn hart was uit zijn borst gerukt. Toen ze stierf, nam ze alles van hem mee. Zijn hart, zijn verstand, en zelfs zijn lichaam.
Niemand sprak het hardop uit, maar sinds haar dood was hij sterk vermagerd. Hij had niet meer de spieren van vroeger. Hij zag er ziek uit. Hij zag eruit als een man die zijn wereld was kwijtgeraakt.
Het kon hem niets schelen. Niets deed er meer toe. Het enige dat hem nog op de been hield, waren de zoekers die hij op straat vermoordde.
Hij wilde een drankje, maar hij stopte nu niet. Hij zou die troep niet mee naar hun huis nemen. Hij stopte voor hun schattige huisje aan de oostkant van de stad. Hij zette de motor uit. Hij bewoog niet.
Hij had het gevoel dat hij in een eindeloze nachtmerrie zat.
Hij schudde zijn hoofd en stapte uit zijn auto. Hij liep naar de andere kant. Hij leunde tegen het zwarte voertuig en staarde naar de bloemen voor het raam. Daarna keek hij naar de geveegde veranda.
Zijn ogen namen het huis in zich op. Hij was er altijd zo trots op geweest om hier elke dag naar binnen te stappen. Dit was zijn thuis—
Nee, snoof hij minachtend. Het huis was niet wat het tot zijn thuis maakte. Hij dwong zichzelf om het pad op te lopen naar de voordeur. Hij stopte toen hij binnen was en ademde diep in. Haar geur hing overal.
Hij betaalde een bedrijf om de buitenkant bij te houden, maar de binnenkant was van hem. Het was onaangeraakt. Alles was precies zo gelaten als op de dag dat ze stierf. Dit was zijn altaar voor haar. Voor hen. Voor hem.
Ja, fuck het lot.
Hij liep de woonkamer in. Hij kon zich goed herinneren hoe ze samen op de bank zaten. Ze lachten toen om haar obsessie met RuPaul’s Drag Race. Hij had een hekel gehad aan dat programma. Nu zou hij er alles voor over hebben om het weer samen met haar te kijken.
Hij zou er alles voor over hebben om haar te zien glimlachen. Om haar huid aan te raken, haar te kussen en om in haar te verdwijnen.
Ze had het hele huis ingericht. Ze zei dat hij geen artistiek inzicht had. Ze had gelijk. Ze hield veel meer van inrichten dan hij. De woonkamer zag er heel erg gezellig uit met de witte meubels en lampen.
Ze hadden nooit nieuwelingen of huisdieren gehad. Daarom dachten ze dat ze de witte meubels wel wit konden houden.
Hij glimlachte verdrietig bij die gedachte. Ze hadden het helemaal mis. De dag dat de meubels werden bezorgd, hadden ze volop van elkaar genoten.
Ze had per ongeluk rode wijn gemorst toen ze klaarkwam. Het zat over de hele leuning van de bank en in haar haar. Ze lachte erom en legde een rode deken over de vlek om het te verbergen.
Hij liep erheen en schoof de deken voorzichtig opzij. Daar was de vlek. Zij was er niet. Hij miste haar. Hij miste haar zo verschrikkelijk erg.
Hij liep verder door het huis. Hij stopte even bij zijn mancave. Hij was daar niet meer gelukkig. Hij was nergens meer gelukkig. De mancave was jaren geleden een cadeau voor zijn verjaardag.
Hij had haar verteld dat hij geen eigen plekje nodig had. Zij was namelijk alles wat hij ooit wilde. Ze hadden de liefde bedreven op de vloer. Achteraf klaagde ze over schaafwonden op haar kont van het tapijt. Hij had zich toen verontschuldigd.
Dan was er nog haar naaikamer. Het was de enige kamer in het huis die een enorme bende was. Toen hij de deur openduwde, kwam haar geur hem keihard tegemoet.
Hij moest zich vasthouden aan de deurpost om niet om te vallen. Hij zag het bijna voor zich hoe ze haar stof knipte met de spelden in haar mond.
Ze zei dat ze deze kamer ooit zou moeten opgeven. Toen hij vroeg waarom, zei ze dat het de babykamer zou worden. Ze kregen ruzie die dag. Hij wilde geen kinderen.
Nee, dat was het niet. Hij wilde niet dat ze in het kraambed zou sterven. Vampierbevallingen waren op z'n zachtst gezegd heel erg zwaar. Hij wilde haar niet kwijtraken. Hij wilde dat risico absoluut niet nemen.
Ze was erg boos op hem geweest. Ze hadden naar elkaar geschreeuwd. Hij verstijfde helemaal toen ze heel zachtjes iets fluisterde. Ze zei dat ze zijn gevechten en zijn werk voor de raad moest doorstaan. Ze wist nooit zeker of hij wel thuis zou komen.
Ze vertelde hem dat ze iets wilde dat... van hen samen was. Hij schudde zijn hoofd en liep weg. Hij liep nu verder door de gang en pauzeerde bij hun slaapkamer. Hij duwde de deur open.
Haar geur was hier het sterkst. Hij voelde een zware knoop in zijn maag toen hij naar binnen liep. Het bed was opgemaakt, door Camila. Alles was brandschoon. Ze hield heel erg van opruimen. Het stelde haar gerust als hij urenlang van huis was.
Hij ging aan zijn kant van het bed zitten. Hij trok zijn voeten op en ging liggen. Hij staarde leeg naar het plafond. Hij pakte de foto van hen samen op de dag van hun geliefdenceremonie. Ze was beeldschoon.
Hij huilde. Hij kon er niets aan doen. Hij had heel veel gehuild sinds haar dood. „Ik mis je. Ik mis je zo erg.“
Hij drukte de foto tegen zijn borst en rolde op zijn zij. Nadat het ergste snikken wat minder werd, rolden er zachte, stille tranen over zijn wangen. Ze maakten natte vlekken op de witte kussens.
Toen hij het aankon om weg te gaan, ging hij naar de slijterij. Hij liep naar binnen en negeerde de groet van de medewerker. Hij pakte zomaar iets van de bovenste plank.
Hij wilde de allersterkste drank die hij kon vinden. Het was moeilijk voor hem om dronken te worden. Maar als hij maar genoeg dronk, zou het vast wel lukken.
Hij gooide een briefje van honderd op de toonbank. Daarna liep hij met de flessen in zijn hand naar buiten. Hij opende er één toen hij weer in zijn auto stapte. Hij nam een flinke slok. Hij gooide de ongeopende fles op de passagiersstoel en reed terug naar het huis.
Hij kwam binnen en het rumoer stopte meteen. Hij liep de trap weer op en ging zijn lege kamer in. Hij verdronk zijn verdriet in... ah, wodka.
DE RAAD
Beneden voelde Adrasteia hoe haar geliefde haar hand pakte. Hij drukte er zachtjes een kus op.
„Het gaat slechter met hem,“ zei Quillian, terwijl hij zijn speelkaarten neerlegde. „Hij is onstabiel.“
„Ja,“ zei Demedicus. „Dat zou jij ook zijn als je je soulmate kwijt was.“
„Hij wordt... slordig, Demedicus,“ merkte Athanasius op. „Hij kan niet in het veld werken als hij geen logische keuzes meer kan maken. Straks laat hij zichzelf nog vermoorden.“
„Jij wil dat ik hem schors,“ daagde Demedicus hem uit. „En dat ik hem het enige afneem waar hij nog ook maar een beetje een fuck om geeft? Heel slim.“
„Hij zal sterven,“ was Quillian het ermee eens.
„Ja, ik begin te denken dat zoiets genadig zou zijn,“ mengde Lycidas zich in het gesprek. „De gedachte om haar te verliezen...“ Hij keek naar Adrasteia en huiverde. „Alleen al die gedachte is genoeg om me iemand te laten vermoorden.“
„Er is niets zo pijnlijk en slopend als het verliezen van je geliefde.“
Iedereen keek naar Demedicus. Hij stond op en trok zijn colbert recht. „Geef die man dan ook een verdomde pauze.“
„Het is nu drie jaar geleden. Het zal niet lang duren voordat...“ Caine maakte zijn zin niet af. Dat was ook niet nodig.
ZANTHUS
Zanthus schrok ineens wakker omdat er keihard op die fucking deur werd gebonsd. Hij ging rechtop zitten op zijn plek op de vloer. Hij moest wel dronken in slaap zijn gevallen, afgaande op de barstende hoofdpijn die hij voelde. God, hij had allebei de flessen leeggedronken die hij had gekocht.
„Er is informatie over een paar zoekers bij de groeve.“
„Prima,“ antwoordde hij.
Athanasius liep weg. Zanthus stond op en ruimde de troep op zijn vloer op. Hij moet wel echt heel erg fucked up zijn geweest. Hij wist namelijk helemaal niet meer wat er was gebeurd nadat hij hier was aangekomen.
Aan de vlekken op de vloer en de kots op zijn shirt te zien, had hij stevig gedronken. Hij had net zo lang gedronken totdat hij zijn gevoelens was vergeten.
Toen hij buiten kwam, zat iedereen al in de Rovers. Ze waren klaar om te vertrekken. Niemand zei ook maar iets over hoe hij eruitzag. Zodra ze op de locatie aankwamen, stapten alle leden uit. Iedereen gebruikte zijn zintuigen om sporen van de zoekers te vinden.
Ze hoorden een geluid aan hun linkerkant. Ze zagen de zoeker wegrennen en gingen er direct achteraan. Er kwamen er meer in zicht. De groep splitste zich op.
Vier van hen gingen in de richting van de andere zoeker. De rest, waaronder Zanthus, bleef achter de zoeker aan rennen die voor hen liep.
Zanthus sprong over een auto die in de weg stond. Hij dook snel onder de bouwmachines van de groeve door. Hij ging zo snel dat hij zijn broers kwijtraakte, maar hij had het niet door. Het boeide hem geen ene reet.
Hij greep de zoeker keihard bij zijn nek en dwong hem naar de grond. De zoeker stribbelde wild tegen onder hem. Maar Zanthus leefde nu alleen nog maar voor de moord. Het maakte hem... bijna gelukkig.
Zijn hand boorde zich ruw door het borstbeen van de zoeker. Hij pakte zijn hart en rukte het er in één keer uit. De zoeker was dood, maar hij was nog lang niet klaar.
Hij pakte de kaak van de zoeker stevig vast. Zijn ene hand lag op de bovenkaak en de andere op de onderkaak. Langzaam begon hij de kaak uit elkaar te trekken. Toen trok iemand hem met geweld weg.
„Hij is dood,“ schreeuwde Quillian. „Genoeg!“ Quillian keek opeens naar iets achter Zanthus. Zijn borst kwam omhoog toen hij weer schreeuwde. „Bukken!“
Zanthus luisterde niet. Hij draaide zich rustig om naar wat Quillian zag. Zoekers. Ze richtten geweren op hen. Hij glimlachte.
Eindelijk, dacht hij, terwijl hij zijn handen wijd langs zijn lichaam hield. Maar voordat de zoeker kon schieten, gebeurde er iets anders. Demedicus pakte het wapen van de man af en vermoordde hem.













































