
Haar Harige Minnaar
Auteur
Lezers
749K
Hoofdstukken
17
Hoofdstuk 1
VALERY
Eindelijk ben ik klaar met mijn huiswerk. Ik doe mijn boek dicht en rek me uit. Het duurde langer dan ik dacht, en als ik uit het raam kijk, zie ik dat het al donker wordt.
Ik sta op van mijn bureau en trek mijn jas aan, klaar voor mijn avondwandeling. Het wordt koud. De herfst komt eraan en ik wil niet het risico lopen om verkouden te worden, zeker niet nu ik bijna ben afgestudeerd.
Ik ga naar buiten, doe de deur achter me op slot en loop stevig door naar het bos hier vlakbij. De avondwind is heerlijk fris en ik merk dat ik lach.
Hoe verder ik het bos in loop, hoe meer ik een zacht geluid in de verte hoor.
Eerst weet ik niet zeker wat het is, maar hoe dichterbij ik kom, hoe meer het klinkt als gejammer. Is dat een dier?
Ik ben bang dat het misschien gewond is en ren naar het geluid toe.
Als ik dichter bij het geluid kom, wordt het duidelijker. Het klinkt als een wolf. Ik ben verrast, want hoewel ik weet dat ze hier rondlopen, komen ze meestal niet zo dichtbij.
Het kan me niet schelen dat ik misschien in gevaar ben en ik ren sneller. Ik heb altijd al veel van dieren gehouden, vooral van wolven, en ik sta niet eens stil bij de dodelijke gevolgen van mijn acties terwijl ik boomtakken en wortels ontwijk.
Eindelijk zie ik een jonge wolf op de grond liggen.
Ik stop om op adem te komen. Ik wil hem niet laten schrikken, en ik heb genoeg geleerd om te weten hoe gevaarlijk een gewond dier kan zijn. Langzaam loop ik naar de wolf toe en probeer ik hem te laten zien dat ik geen kwade bedoelingen heb. Hij tilt zijn hoofd op en kijkt me aan met ontblote tanden.
Ik buig snel mijn hoofd en blijf doodstil staan. Rustig maar, Valery. Laat hem niet zien dat je bang bent. Je hebt geleerd hoe je dieren moet benaderen.
Met een zachte, kalmerende stem begin ik te praten, terwijl ik maar een klein beetje tril van angst. „Wees alsjeblieft niet bang. Ik wil je helpen.“
Mijn hart bonst wild in mijn borst. Dit is zo gevaarlijk, Valery! Maar dat maakt me niet uit! Ik kan het niet verdragen om een dier te zien lijden.
„Alsjeblieft. Je hebt vast pijn. Laat me je helpen.“
Ik kijk hem in de ogen en lach vriendelijk. Na een tijdje stopt hij met grommen en laat hij zijn hoofd zakken, maar zijn waakzame ogen blijven op mij gericht. Ik slaak een zucht van verlichting en loop weer langzaam naar hem toe.
Zodra ik bij hem ben, kniel ik neer en kijk ik naar hem. Zijn zilveren vacht zit vol met donkerrode vlekken, dus hij moet ergens een wond hebben.
Ik kijk in zijn ogen. Ze glinsteren goud in het maanlicht. Ze zijn betoverend...
Ik schud mijn hoofd om weer helder te denken en steek voorzichtig mijn hand uit om zijn poot aan te raken, zodat ik zijn hartslag kan voelen. Ik kijk weer in zijn ogen en houd mijn adem in. Als hij me nu zou aanvallen, zou ik niets kunnen doen, en ik vraag me af hoe lang het zou duren voordat iemand mijn lichaam vindt.
Maar hoewel hij waakzaam blijft, beweegt hij niet. Hij lijkt me te vertrouwen.
„Je hartslag is zwak. Wat is er gebeurd? Heb je gevochten? Waar heb je pijn?“
Ik blijf de hele tijd tegen hem praten en zorg ervoor dat mijn stem kalm en zacht blijft terwijl ik zijn lichaam bekijk om de wond te vinden. Hij beweegt een beetje en ik schrik, knijp mijn ogen stijf dicht en wacht tot ik voel hoe zijn scherpe tanden in mijn lichaam bijten. Wanneer er niets gebeurt, doe ik mijn ogen open en zie ik dat hij zijn buik heeft ontbloot. Ik hap naar adem als ik de wond daar zie.
Ik trek snel mijn jas en mijn shirt uit, trillend van de ijskoude lucht, en gebruik mijn shirt om het bloeden te stoppen. Hij jammert en duwt zijn snuit tegen mijn zij.
Verrast door zijn gedrag wrijf ik over zijn poot voordat ik weer verderga. „Het spijt me als het pijn doet. Hou nog even vol, oké?“
Ik voel zijn adem op mijn huid, wat me een beetje opwarmt terwijl ik druk blijf uitoefenen op zijn buik.
Na een paar minuten leun ik naar achteren en slaak ik een opgeluchte zucht.
„Het is gestopt met bloeden, maar het is beter als ik het schoonmaak.“ Ik bijt op mijn onderlip en kijk in de richting van mijn huis. De kans is groot dat hij weg is als ik spullen ga halen en terugkom. Maar misschien kan ik hem zover krijgen dat hij met me meegaat. „Kun je lopen?“
Ik aai over zijn hoofd en zijn ogen knipperen. Hij probeert op te staan, en hoewel ik hem wil helpen, laat ik hem dit alleen doen. Ik weet niet of hij nog ergens anders gewond is, en ik wil ook niet dat hij denkt dat ik te agressief ben.
Zodra hij staat, pak ik mijn bebloede shirt op en leg ik met rustige bewegingen mijn jas over zijn rug.
„Kom op. Ik woon hier niet ver vandaan. Daar heb ik spullen om je te behandelen.“
Ik lach wanneer hij lijkt te begrijpen wat ik wil en begint te lopen, en samen wandelen we langzaam naar huis. De wolf zet voorzichtig de ene poot voor de andere en ik bibber van de koude lucht. Hij jammert naast me.
„Ik weet dat het pijn doet. Het spijt me. We zijn er bijna. Hou nog heel even vol.“
Ik nies, voel een rilling door mijn lichaam gaan en stop even. De wolf jammert weer en wrijft met zijn hoofd tegen mijn zij. Ook al is hij gewond, zijn vacht voelt heel warm aan op mijn koude huid. Ik aai over zijn hoofd en grinnik.
„Maak je je zorgen om mij? Dat hoeft niet. Het gaat goed met me. Echt waar.“
Hij blijft nog even met zijn hoofd tegen mijn huid wrijven, en daarna lopen we weer verder.
Het duurt niet lang voordat we thuis zijn. Ik ben blij dat hij zo dichtbij in elkaar is gezakt. Als hij verder weg was geweest, had ik hem misschien niet gevonden, en ik krimp ineen bij de gedachte dat hij daar helemaal alleen en gewond zou zijn.
Ik haal de deur van het slot, ga naar binnen en houd de deur voor hem open. Hij aarzelt geen moment, loopt achter me aan naar binnen en gaat naar de woonkamer.
„Wacht hier. Ik ga wat spullen pakken.“
Ik doe de deur op slot, loop voorzichtig om de wolf heen en ga naar de badkamer om de EHBO-doos, wat warm water en een doekje te halen.
Wanneer ik terugkom bij mijn patiënt, is hij op het tapijt in de woonkamer gaan liggen. Zodra hij me opmerkt, draait hij op zijn zij zodat ik goed bij zijn buik kan komen.
„Dank je. Blijf nu alsjeblieft stil liggen. Ik moet het schoonmaken en ontsmetten. Dit gaat pijn doen, maar ik zal proberen het zo snel mogelijk te doen, goed?“
Ik lach en hij laat zijn hoofd op de grond rusten en sluit zijn ogen. Ik knik tegen mezelf, doop de doek in het warme water en maak het vuil rond de wond schoon. Zijn mooie zilveren vacht... Die is helemaal verpest. Ik probeer het gebied zo goed mogelijk schoon te maken en frons.
„Beter dan dit kan ik je nu niet schoonmaken. Je vacht is zo mooi. Zodra je beter bent, geef ik je een bad, grote jongen.“
Terwijl ik over zijn hoofd aai, laat hij een tevreden grom horen en ik giechel. Mijn lichaam begint er raar van te tintelen.
„Oké. Nu het moeilijkste deel. Dit gaat prikken. Ben je er klaar voor?“
Ik kijk bezorgd in zijn gouden ogen. Hij sluit zijn ogen weer. „Oké, daar gaan we.“ Ik giet wat ontsmettingsmiddel op een schone doek en maak zijn wond schoon.
Hij gromt luid en schokt even, maar hij probeert me geen pijn te doen.
„Je doet het geweldig,“ zeg ik. „Blijf nog even stil liggen.“
Ik blijf hem rustig prijzen terwijl ik zijn wond schoonmaak en ben eindelijk klaar. Ik pak wat verband en knoop het aan elkaar vast zodat het groot genoeg is voor hem.
„Zo! Het is niet perfect, maar voor nu is het goed. Morgen haal ik verband in jouw maat. Ik had nooit verwacht zo'n grote gast te hebben, dus het spijt me.“
Ik grinnik en laat me achterover op het tapijt vallen, en eindelijk kan ik weer rustig ademhalen. Omdat deze wolf zo tam is, vraag ik me af of hij eerder bij mensen is geweest. Hij heeft me niet aangevallen, en ik sta er versteld van hoe op mijn gemak ik me bij hem voel.
Ik zucht en ga voor hem liggen terwijl ik in zijn mooie gouden ogen kijk. Ik lach terwijl ik over de vacht op zijn hoofd aai.
„Je was heel dapper. Ik hoop dat je een paar dagen blijft. Ik weet dat je daar buiten hoort, maar blijf alsjeblieft tot je wond genezen is, goed?“
Ik sluit mijn ogen en schud mijn hoofd. Ik smeek een wild dier! Hij begrijpt me niet eens. Er komen tranen in mijn ogen en hij jankt zachtjes. Ik kijk naar hem om te zien of het goed met hem gaat, en ik zweer dat ik zijn ogen even blauw zie oplichten. Ik steun op mijn elleboog en kijk weer in zijn ogen. Ze hebben dezelfde gouden kleur die ik de hele tijd al zie. Ik moet het me verbeeld hebben.
Hij schuift dichter naar me toe en duwt zijn snuit tegen mijn borst.
„Ah! Wat doe je!?“
Zijn warme adem kriebelt me en hij likt mijn huid.
Ik giechel en aai weer over zijn hoofd. Ik voel hoe zijn adem mijn huid verwarmt en mijn zenuwen kalmeert. „Betekent dat een ja dat je blijft?“
Verdomme, ik moet wel gek zijn om een wolf in huis te houden. Zelfs om met hem te knuffelen. Maar om de een of andere reden ben ik niet bang.









































