
Meesteressen van de Sluier 2: Alpha's Maan
Auteur
K.D. Peters
Lezers
20,7K
Hoofdstukken
61
Hoofdstuk 1
Boek 2: Alpha’s Moon
AURORA
Het was stil terwijl ik daar op de vuile vloer lag. Ik hoorde alleen het geluid van druppelend water ergens buiten deze kleine, grotachtige cel. Ik opende mijn ogen en keek naar de kettingen om mijn polsen. De metalen schakels lagen op de vloer en het uiteinde zat vast aan de muur. Ik dacht erover om eraan te trekken, zodat ze een hard geluid zouden maken en de stilte zouden doorbreken. Maar ik was te moe om te bewegen.
Mijn naakte lichaam had het zo koud en mijn hoofd was ontzettend moe. Ik had geen idee hoelang ik hier al was. Het voelde als een eeuwigheid. Mijn laatste herinneringen voordat ik in deze kleine, vuile cel belandde, waren vaag omdat ik er zo slecht aan toe was. Ik herinnerde me nog dat ik midden in de nacht van huis wegliep. Ik was uit mijn raam geklommen en was vastbesloten om nooit meer achterom te kijken. Ik liep door totdat ik langs oude treinsporen wandelde.
Toen viel iets me aan. Het raakte me van achteren, waardoor ik bewusteloos raakte. Toen ik weer wakker werd, was ik hier. Ik was vastgeketend en naakt. En het ergste van alles was dat ik verkocht zou worden. Een stille traan rolde over mijn wang. Ik wilde zo graag wegrennen van die plek en ontsnappen aan alle pijn. Maar uiteindelijk was ik hier beland.
Ik wist ook zeker dat ik niet meer in mijn eigen wereld was. Dat kwam door de wezens die naar mij kwamen kijken. De wezens die door de deur naar binnen kwamen, leken een beetje op mensen. Maar dat waren ze absoluut niet. Sommigen hadden dierlijke oren en staarten. Anderen hadden spitse oren en groen haar, of een huid met glanzende schubben in alle kleuren van de regenboog en een spleetvormige mond. Ze werden binnengebracht door een lang figuur met een kap op. Hij vertelde hun dingen over mij.
Hij klonk als een man en zijn woorden waren altijd hetzelfde. „Dit is een menselijke vrouw. Ze is nog jong. Ik schat haar in de late tienerjaren. Zoals jullie kunnen zien, ziet ze er mooi en foutloos uit. Ze heeft een aantrekkelijk lichaam. Als jullie ooit met haar willen fokken, weet ik zeker dat ze voor goed nageslacht zal zorgen,” zei hij dan.
De wezens die naar me keken, leken tevreden. Maar ze bedachten zich snel toen hij hun nog één laatste ding vertelde. Het was de enige fout die ik volgens hen had. „Helaas kan ze niet praten. Het lijkt een mentaal defect te zijn, want ze kan wel goed horen. Toch blijft ze altijd stil, wat er ook gebeurt.” Dat was de reden dat alle wezens die naar me kwamen kijken, mij niet meer wilden hebben.
Niemand vond het leuk dat ik niet kon praten. Ze zeiden allemaal dat ze iemand nodig hadden die altijd antwoord zou geven. Een stomme slaaf was niet veel waard, zelfs niet met een mooi gezicht en een perfect lichaam. Het was te veel moeite om te ontdekken hoe ze mij konden laten praten. Een stomme slaaf. Dat liet me inzien in wat voor vreselijke situatie ik zat.
Ik zat niet alleen vast in deze vreemde wereld, maar ze wilden me ook als slaaf verkopen aan een van deze wezens. Het was vernederend en eng. Bovenal gaf het me het gevoel dat ik geen mens meer was. Ik was slechts een pop die een van deze wezens kon gebruiken zoals hij dat wilde. Ik bleef liggen waar ik lag. Ik sloot mijn ogen weer en probeerde met mijn gedachten naar een verre plek te ontsnappen.
Ik droomde van vrijheid, net als toen ik jonger was. Ik stelde me voor dat ik vrij rondrende in een prachtig veld met heldergroen gras en wilde bloemen. Ik draaide in het rond en keek naar de kleurrijke lucht terwijl de zon begon onder te gaan. Oh, wat hield ik van deze droom. Het was zo geruststellend en wekte altijd een verlangen in me op om daar echt te zijn.
Mijn droom werd onderbroken door het geluid van de celdeur die krakend openging. Ik hield mijn ogen gesloten en mijn hart begon sneller te kloppen. Oh nee, vertel me alsjeblieft niet dat er nog iemand naar me komt kijken. Ik hoorde het bekende, glijdende geluid op de vloer binnenkomen. Daarna volgden er voetstappen.
Ik wist dat het glijdende geluid van mijn bewaker kwam. Hoewel hij een lange, donkere mantel met een kap droeg, had ik gemerkt dat hij bewoog op een staart. Deze staart stak aan de achterkant uit de mantel. De staart leek op die van een slang, en daarom dacht ik ook dat hij een slang was. Misschien was het maar beter dat ik zijn gezicht niet kon zien. Het was misschien nog wel enger geweest dan de andere wezens.
Het glijden en de voetstappen stopten. Ik hoorde iets wat heel erg klonk als een vermoeide zucht voordat mijn bewaker sprak. „Dit is onze laatste. Maar ik twijfel of ik haar aan iemand zoals u moet laten zien. Ze is een prachtige vrouw, maar ik moet u waarschuwen dat ze ook niet kan praten.”
„Ze kan niet praten, zegt u?” antwoordde een mannenstem. „Kan ze wel horen?”
„Dat kan ze zeker. Ze kan ook prima zien. Ik heb haar wekenlang in de gaten gehouden voordat ik haar meenam. In die tijd sprak ze geen enkel woord. Daarom denk ik dat het een mentaal defect is,” bevestigde mijn bewaker.
De weken voordat hij me meenam? Had hij me al zo lang in de gaten gehouden?
De voetstappen kwamen dichterbij. „In de gaten gehouden, hè? Ik herken de geur die om haar heen hangt heel goed. Ze is een mens,” merkte de man op.
„Dat klopt.”
„U beseft toch wel dat het ontvoeren van een mens hiervoor nog strenger verboden is dan wat u nu al doet. Als mijn vader hierachter komt, zal hij u waarschijnlijk vermoorden.”
Dat maakte me nieuwsgierig en ik opende mijn ogen. Het eerste wat ik zag, waren twee zwarte laarzen die op ongeveer een halve meter voor me stonden. Daarachter zag ik ook de onderste helft van een pluizige staart. Ik had nog nooit eerder zo'n staart gezien. Zelfs in het zwakke licht kon ik zien dat de glanzende vacht donkerrood was.
Mijn bewaker werd bang toen hij hoorde wat het wezen zei. „Alstublieft, doe dat niet! Ik neem normaal gesproken geen mensen mee. Maar zij zou vermoord zijn door de lycan die daar 's nachts rondloopt. Haar familie geeft ook helemaal niets om haar! Ik wilde haar alleen maar redden door haar hierheen te brengen!” drong hij aan.
De ander lachte hem spottend uit. „Dat zal best.”
„Het is allemaal waar. U mag de papieren controleren als u wilt. Ik verkoop normaal gesproken nooit menselijke meisjes!”
„Heel goed,” gaf de man toe. „Ik ben niet van plan om snel naar mijn vader terug te keren. Ik kan een afspraak met u maken. Geef haar aan mij en ik zal ervoor zorgen dat dit geheim blijft.”
„U zult niet vertellen dat ik haar heb ontvoerd?” vroeg mijn bewaker voor de zekerheid.
„Ik ben een vos van mijn woord en daar ben ik heel trots op.”
Een vos? Was dat wat hij moest voorstellen?
Mijn bewaker klonk twijfelend, maar hij wilde de afspraak wel maken. „U onderhandelt hard, Meester Vos, maar ik kan er niet tegenin gaan. Ik heb dit meisje nu al twee maanden. Veel wezens hebben naar haar gekeken, maar niemand wilde haar hebben. Dat komt omdat ze niet met hen kan praten. Ik heb geen geld meer om haar eten te geven. Ik wil haar ook niet de straat op sturen, want dan wordt ze waarschijnlijk vermoord. Het is dus beter als ik haar gewoon aan u geef.”
„Goede afspraak.”
Daarna kwamen de laarzen dichterbij. De vos knielde naast me neer. Ik draaide langzaam mijn hoofd om naar hem op te kijken. Eindelijk kon ik zien hoe hij eruitzag. Tot mijn verbazing zag hij er niet veel ouder uit dan ik. Hij leek een oudere tiener te zijn. Hij had een knap gezicht met heldere, gouden ogen. Zijn haar was donkerrood, net als zijn staart, met een schuine pony rond zijn rechteroog. Hij had ook grote vossenoren.
Hij glimlachte naar me. Het was een heel geruststellende glimlach. Ik vond de glimlach prachtig, veel mooier dan die van de andere wezens. „Voor zover ik kan zien, ben je echt een mooi meisje. Ik weet zeker dat je beeldschoon zult zijn als je gewassen bent en wat aankomt. Wat dacht je ervan om met mij mee naar huis te gaan en van mij te zijn?” stelde hij voor.
Had ik überhaupt een keuze? Ik dacht het niet. Daarom knikte ik langzaam. „Ah, ja. Je kunt niet praten. Dat is helemaal prima. Daar verzin ik snel genoeg wel iets op.”
Mijn bewaker gleed naar me toe en maakte de kettingen om mijn polsen los. De vos tilde me op alsof ik zo licht als een veertje was. Zijn witte shirt was heel zacht. Toch kon ik voelen hoe gespierd zijn borstkas was toen ik ertegenaan leunde. Het voelde alsof hij een heel sterk lichaam had.
Ik leunde tegen hem aan terwijl hij met me wegliep. Ik sloot mijn ogen en probeerde te ontspannen. Misschien had ik hierin geen keuze. Maar het leek er in ieder geval op dat hij een beetje aardig voor me zou zijn. Als hij dat kon zijn, dan zou ik doen wat nodig was om in leven te blijven. Zelfs als het een beetje vernederend zou zijn, was het altijd nog beter dan doodgaan.
Uiteindelijk viel ik flauw omdat ik zo zwak was. Toen ik weer wakker werd, lag ik op een zacht bed. Ik wist mezelf op mijn armen omhoog te duwen. Mijn hoofd had eindelijk genoeg gerust om helder na te kunnen denken.
Dit bed kende ik niet. Er lag een zachte, blauwe deken onder me. De muur was bruin en had een kleine holte waar een paar boeken in stonden. Ik keek omhoog naar het plafond. Daar zag ik zachte lichten die eruitzagen als kristallen in het plafond. Wat is dit voor plek? vroeg ik me af.
Aan de andere kant van mij hing een gordijn. Het was donkerblauw en zag er behoorlijk dik uit. Ik stak mijn hand uit om het aan te raken. Het gordijn voelde net zo zacht aan als de deken onder me. Dit was allemaal zo prachtig en luxe. Ik had nog nooit zoiets gezien of gevoeld.
Ik ging rechtop zitten en besefte dat ik nog steeds naakt was. Toen kwam alles weer terug in mijn herinnering. Dat klopte. Iets had mij ontvoerd. Daarna had ik lange tijd gevangen gezeten op die plek. Uiteindelijk had een wezen besloten om me mee te nemen. Ze noemden hem een vos. Dus dat moest wel het soort wezen zijn dat hij was.
Ik kreeg een rode kleur toen ik me herinnerde hoe hij eruitzag. Hij was een veel knapper wezen dan de anderen die ik had gezien. Vooral die gouden ogen trokken mijn aandacht. Ik had nog nooit zulke mooie ogen gezien.
Het geluid van naderende voetstappen buiten het gordijn bracht me terug naar de werkelijkheid. Ik schoof achteruit naar de muur. Ik probeerde mezelf zonder succes te bedekken met mijn armen en benen. Mijn lange, lichtblonde haar viel over mijn schouders, wat daar een beetje bij hielp.
Na nog een minuut werd het gordijn opzij geschoven. De bekende vos stond daar. Hij keek blij toen hij me zag. „Mooi. Je bent wakker. Ik begon me al zorgen te maken,” zei hij.
Ik bleef zitten waar ik zat. Toch voelde ik me iets minder gespannen. Hij maakte geen agressieve bewegingen in mijn richting. „Oh ja. Ik was bijna vergeten dat je niet kunt praten. Je kunt echt helemaal niets zeggen, hè?” ging hij verder.
Ik schudde mijn hoofd en voelde me een beetje schuldig. Vroeger was het altijd beter geweest om niet te praten. Maar nu kon het de situatie misschien moeilijker maken.
De vos liet zich niet tegenhouden en kwam op de rand van het bed zitten. „Nou, dat lossen we snel genoeg op. Maar omdat je nu toch wakker bent, wil ik je graag schoonmaken. Je bent ontzettend vies geworden in die vuile cel. En vat het niet verkeerd op, maar daardoor ruik je niet zo fris.”
Die opmerking verraste me een beetje. Ik kon het niet laten om naar mezelf te kijken. Voor de eerste keer besefte ik dat ik best vuil was. Ik rook de stank van het lange tijd niet kunnen douchen.
„Ik had dat waarschijnlijk anders moeten zeggen. Het was niet mijn bedoeling om je te beledigen,” zei de vos spijtig. Hij stond op en stak zijn hand naar me uit. Ik twijfelde even of ik die wel wilde aannemen, want ik zag de scherpe klauwen aan zijn vingers. Dat leek hij zelf ook door te hebben. „Het is niet erg. Ik zou je nooit pijn doen. Ik ben heel goed in voorzichtig zijn met mijn klauwen. Dat beloof ik.”
Welke andere keuze had ik dan hem op zijn woord te geloven? Ik vond het ook niet fijn dat hij me naakt zag. Maar ik besefte al snel dat dit geen zin had. Ik was naakt in die cel en ook toen hij me hierheen bracht. Hij had alles dus al gezien.
Met dat in gedachten stapte ik met tegenzin uit het bed. Mijn benen trilden toen ik probeerde te staan. Uiteindelijk moest ik me aan zijn armen vasthouden om overeind te blijven. „Doe maar rustig aan. Het is vast een tijdje geleden dat je hebt gestaan of zelfs gegeten. Ik zal je helpen om je te wassen. Daarna kan ik iets te eten voor je maken,” zei hij tegen me.
Het lukte me om te knikken. Ik liet me door hem naar links begeleiden. Terwijl we liepen, keek ik om me heen. Deze plek leek veel op de binnenkant van een gewoon huis. Toch had het een mystieke elegantie.
De kamer was heel groot en open. In het plafond zat een enorm dakraam. Dat zorgde ervoor dat er zacht licht overal naar binnen scheen. Ik zag verschillende meubels. Er stond een kleine, ronde tafel met stoelen. Ook zag ik de plek waar het bed in de muur was gebouwd. Aan de andere kant van de kamer zag ik nog een kleinere ruimte. Het leek alsof daar heel veel planten stonden.
We liepen door een boog helemaal aan de linkerkant van de grote kamer. Deze boog leidde naar een badkamer. Ook deze kamer was behoorlijk ruim. Er was een wastafel, een toilet en wat leek op een grote douche tegenover de wasbak. De douche had glazen wanden en een marmeren vloer.
De vos bracht me naar die douche. Hij schoof de glazen deur open en hielp me op de marmeren vloer te gaan zitten. Ik keek toe hoe hij weer rechtop ging staan. Hij liep naar het kastje naast de wastafel en deed het open. „Eens kijken. Je haar kan zeker wel een wasbeurt gebruiken. En deze zeep zal al dat vuil gemakkelijk van je afwassen.”
Ik bleef stil zitten terwijl hij terugkwam met twee glazen flessen. Hij zette ze op de vloer, stond op en trok zijn shirt uit. Ik probeerde mijn best te doen om hem niet te laten merken dat ik staarde. Ik had gelijk. Hij had inderdaad een sterk uitziend lichaam. Hij was slank, maar wel gespierd met een stevige borstkas en strakke buikspieren.

















































