
Onweerstaanbare Liefde
Auteur
Lezers
965K
Hoofdstukken
30
Hoofdstuk 1
Boek 2: Onweerstaanbare Liefde
ZACHARY
Ik hou van je.
Ik schrok wakker uit mijn slaap en ging op de bank zitten. Ik wreef met mijn handen over mijn gezicht. Er stonden zweetdruppels op mijn voorhoofd terwijl ik rilde. Haar stem zat nog vers in mijn geheugen. Die zorgde ervoor dat ik nooit kon slapen.
Het enige wat ik wilde, was slapen, voor eens en voor altijd. Er waren drie maanden, acht dagen en vijf uur verstreken sinds ze was overleden. Ze had me verraden. Al die beloftes voor altijd waren gewoon leugens. Gewoon keiharde leugens.
Ze had me beloofd dat ze altijd bij me zou blijven, voor eeuwig. Maar ze had haar eigen belofte verbroken en me achtergelaten.
Ik haalde diep adem toen ik opstond van de bank in mijn kantoor. Ik liep naar het glazen raam.
De klok wees half zes in de ochtend aan. Ik keek achterom naar mijn bureau. Het was rommelig en er lag een stapel belangrijke papieren in mappen.
Er ontsnapte een zucht uit mijn mond toen ik mijn handen in mijn broekzakken stak. Ik staarde naar de bomen, die zwart leken tegen de lucht. De zon kwam bijna op en de vogels vlogen al rond, waarschijnlijk op zoek naar voedsel.
Er was weinig verkeer. Vanuit mijn kantoorgebouw waren er maar een paar vroege hardlopers te zien.
Ik had tot diep in de nacht doorgewerkt. Ik wilde al het werk afmaken dat de afgelopen drie maanden was blijven liggen.
Toen ik me omdraaide om terug te gaan naar het bureau, voelde ik de wereld voor mijn ogen draaien. Ik struikelde over mijn eigen voeten en was duizelig. Opeens kreeg ik hoofdpijn, alsof iemand erop aan het hameren was.
Dit alles overkwam me door mijn gebrek aan slaap. Hoe kon ik slapen? Hoe kon ik slapen nu ze me had verraden?
Ondanks haar verraad bleef ze in mijn gedachten rondspoken. Elke keer als ik mijn ogen sloot, zag ik haar. Ze was gewoon overal. Ze was bij me, ook al was ze niet in de buurt.
Ik herinnerde me nog goed dat de politie haar lichaam uit het water had gehaald. Ik wilde mezelf wel van het leven beroven. Waarom had ik haar laten gaan?
Het was allemaal mijn schuld.
Ze had mijn hart en mijn ziel in duizend stukjes gebroken.
Mijn handen hadden getrild toen de politie me vroeg om het laken van haar gezicht weg te halen. Het was verminkt geraakt door het ongeluk. Ik kon de moed niet vinden om naar haar te kijken toen de politie haar dood had verklaard.
Haar vader had geschreeuwd en met hen gevochten. Hij riep dat zijn dochter hem niet in de steek kon hebben gelaten. Haar moeder lag bewusteloos op de grond, terwijl het medische team haar hielp.
Haar vriendin, Kiara, en haar broer, Jace, huilden tranen met tuiten. Ik stond daar maar met mijn rug naar haar lichaam. Ze droeg inderdaad mijn overhemd en mijn broek. Het was zonder twijfel zij.
Maar toch schreeuwde mijn hart dat zij niet degene was voor wie ik huilde en kapotging. Zij kon het niet zijn...
Er waren die dag vier mensen omgekomen. De vrachtwagenchauffeur wiens vrachtwagen de auto van mijn Juliette had geraakt, de taxichauffeur, een dame in een zwarte auto en mijn Juli...
Ik kon nog steeds niet geloven dat ze me had achtergelaten. Ik dacht dat we eindelijk samen waren om ons nieuwe leven te beginnen. Ik weigerde te geloven dat het gevonden lichaam van Juliette was.
Hoewel de vrouw mijn kleren droeg en haar haar en lengte overeenkwamen met het uiterlijk van Juliette, weigerde ik te geloven dat zij het was.
Maar ik had niet de moed om haar dood onder ogen te zien. Daarom sloot ik me af van de wereld. Toen de pijn niet minder werd, begon ik alcohol te drinken. Ik dronk tot ik omviel en op dezelfde plek in slaap viel.
Het was alleen aan Max, Kristian en Willi te danken dat ik hier weer in de wereld stond. Een masker verborg elke emotie en elk gevoel.
Dat masker was afgebrokkeld toen zij in mijn leven was gekomen. Maar nu had ze ook al het geluk en de vreugde met zich meegenomen.
„Waarom heb je me verlaten?“ mompelde ik. Ik hurkte neer op de vloer en hield mijn bonzende hoofd vast.
Ik had slaappillen genomen om te kunnen slapen, maar ze hadden niet gewerkt. Ze was mijn dromen binnengedrongen. Daardoor werd ik op vreemde tijden gedwongen wakker.
De pillen leken nu pas te werken, want ik werd plotseling duizelig en misselijk. Ik kroop terug naar de bank, pakte de waterkan van de salontafel en gooide wat water in mijn gezicht.
Niets helpt...
Ik haalde diep adem en leunde tegen de bank. Ik sloot mijn ogen een paar minuten voordat ik in dezelfde houding in slaap viel.
„Pardon? Meneer?“
Er verliet een zucht mijn mond toen ik iets kouds tegen mijn wang voelde.
„Meneer?“
Roept iemand mij?
Maar wie?
Ik vocht tegen de slaap en probeerde mijn ogen te openen. Twee donkere ogen keken me bezorgd aan. Een vrouw met ravenzwart haar en een bleke huid klopte zachtjes op mijn wang.
„Gaat het wel? Moet ik een dokter bellen?“ vroeg ze. Ik fronste mijn wenkbrauwen toen ik besefte dat haar hand nog steeds op mijn wang lag.
Ik pakte haar hand vast, haalde hem weg en liet hem los. Toen ik bewoog en probeerde op te staan, wankelden mijn voeten en viel ik neer.
Maar een paar handen grepen me snel vast bij mijn arm om mijn val te breken. Dezelfde vrouw probeerde me te helpen staan.
Opeens werd ik woedend dat ik werd aangeraakt door een andere vrouw dan mijn Juliette. Ik duwde haar handen weg en keek haar boos aan.
„Het gaat goed met me,“ zei ik door mijn tanden heen. Ze glimlachte en stak haar handen op alsof ze zich overgaf.
„Waarom lag u daar te slapen? Ik bedoel, gaat het wel—“
„Wie bent u en wat doet u hier?“ vroeg ik terwijl ik haar opnam.
Ze droeg een paarse blouse met een crèmekleurige kokerrok, die paste bij haar beige hakken. Haar kleding was formeel. Ik zag mappen en een tablet op het bureau liggen. Ik nam aan dat die van haar waren.
„Oh, ik ben Cristina Dimir. Ik ben uw persoonlijke assistent,“ zei ze. Ik trok vragend een wenkbrauw op.
„Ik bedoel, ik was de assistent van meneer Kristian. Maar nu u weer terug bent, ben ik door mevrouw Cosmina aangewezen als uw nieuwe assistent,“ zei ze. Dat zorgde ervoor dat ik naar mijn voeten keek.
Kristian had inderdaad een grote rol gespeeld in het bedrijf tijdens mijn afwezigheid. Hij had voor onze zaken gezorgd toen ik me verdwaald en stuurloos voelde, op zoek naar mezelf.
„Waar was u dan de afgelopen tien dagen?“ vroeg ik. Ik kon me niet herinneren haar te hebben gezien sinds ik terug was.
„Oh, ik was op vakantie,“ zei ze glimlachend. Haar kuiltjes deden me aan Juliette denken. Mijn ogen bleven erop gericht totdat ze haar keel schraapte. Dat haalde me uit mijn gedachten.
„Haal een kop zwarte koffie en het dossier van meneer Pachia voor me,“ zei ik terwijl ik opstond. Ik voelde me duizelig. Ik hield mijn hoofd vast en kreunde.
„Meneer, gaat he—“ Voordat ze me kon aanraken, stak ik een vinger naar haar op. Zo hield ik haar tegen om dichterbij te komen.
„Doe wat ik u gevraagd heb,“ beval ik haar op een strenge toon.
Ze knipperde een paar keer met haar ogen en knikte ja. Ze draaide zich om, pakte haar mappen en tablet en liep de kamer uit. Maar niet zonder eerst nog even mijn kant op te kijken.
Ik zuchtte. Ik pakte mijn jasje van de bank, trok het aan en knoopte het dicht terwijl ik naar het bureau liep. Ik keek naar de klok. Die gaf kwart over negen in de ochtend aan.
Aan de tijd zag ik dat de werknemers al op kantoor moesten zijn. Het was hoog tijd dat ik weer aan het werk ging. Vooral voordat Juliette mijn gedachten weer overnam.
Ik haalde een hand door mijn haar en probeerde me te concentreren, maar dat mislukte hopeloos. Hoe meer ik haar probeerde te vergeten, hoe meer ze in mijn hoofd zat.
Ze was mijn leven, mijn ziel, mijn alles. Ik kon haar aanwezigheid naast me nog steeds voelen. Ze was mijn adem.
Ik pakte mijn telefoon en opende de fotogalerij. Ik klikte op haar foto. Het was een foto die ik dwingend van haar had gemaakt toen we met de hele familie gingen picknicken.
Ik herinnerde me nog dat ik tegen haar grapte dat ik de foto als aandenken maakte. Ze had me namelijk opgedragen om mooie herinneringen met de familie te maken en te genieten.
En voor mij was bij haar zijn het mooiste wat me ooit was overkomen.
Ik had haar naar me toe getrokken en een foto van ons samen gemaakt. Ze had naar mij gekeken, terwijl ik in de camera van de telefoon staarde. Als ik had geweten dat dit de enige foto met haar zou zijn, dan had ik nooit...
„Uw koffie, meneer.“ Mijn gedachten werden onderbroken door niemand minder dan mevrouw Dimir. Ze zette het kopje koffie op mijn bureau neer. Daarna legde ze het dossier van meneer Pachia voor me neer met een brede lach op haar gezicht. Dat irriteerde me enorm.
Waarom zijn andere mensen zo gelukkig?
Ben ik de enige op deze hele wereld van wie het geluk is afgepakt?
„Heeft u verder nog iets nodig, meneer?“ vroeg ze, en ik schudde mijn hoofd.
Ze knikte en draaide zich om om te vertrekken. Ze stopte toen ik haar riep.
„Mevrouw Dimir!“
Ze stopte en draaide zich om, terwijl ze naar me glimlachte. „Ja, meneer?“ vroeg ze toen ze de tablet dicht tegen haar borst hield.
„Vergeet de volgende keer niet te kloppen als u binnenkomt,“ zei ik koeltjes. Ik wees met mijn vinger naar de deur en vroeg haar te vertrekken.
Ze keek achterom naar de deur en toen weer naar mij. Haar glimlach verdween. Ze knikte afwezig en liep mijn kantoor uit.
„Iedereen lijkt zo gelukkig, Juliette.“ Ik keek weer naar de foto van Juliette op mijn telefoon terwijl ik tegen haar praatte.
„Behalve ik,“ vulde ik aan, terwijl mijn ogen prikten. Er stroomden tranen over mijn wangen.
Ik kuste haar foto en legde de telefoon opzij. Daarna veegde ik mijn gezicht af met een zakdoek. Ik bracht de warme kop koffie naar mijn lippen, maar ik kon het niet drinken. Ik had al lang geen eetlust meer.
Niets leek het vuur in mijn brandende ziel te kunnen blussen. Niets verzachtte mijn pijn om alleen te zijn en met de wereld te moeten omgaan.
„Kom alsjeblieft bij me terug, mijn Juliette.“ De tranen bleven over mijn gezicht stromen terwijl ik steeds weer aan haar dacht. Ik vervloekte mezelf dat ik haar die dag alleen had laten gaan.









































