
Onze anatomie
Auteur
B. E. Harmel
Lezers
15,3K
Hoofdstukken
38
Hoofdstuk 1
ANNA
De liftdeuren gaan met een zachte klik dicht. Het is het soort geluid dat mijn maag al doet omdraaien nog voordat mijn brein beseft waarom.
Ik kijk naar de oplichtende cijfers boven de deur terwijl we beginnen te dalen. Mijn spiegelbeeld staart me aan in het glanzende metaal. Ik zie er bleek uit, stil, alsof ik verwacht dat er iets ergs zal gebeuren.
Medische keuring.
De woorden geven me een benauwd gevoel.
Ik rol met mijn schouders om het van me af te schudden, maar de lift voelt ineens een stuk kleiner. Het gezoem onder mijn voeten trekt omhoog door mijn benen, tot in mijn botten. Ik strek mijn vingers, één keer, twee keer.
Ademhalen, Anna.
Het is gewoon een routinecontrole. Verplicht. Regels van het ziekenhuis.
Dat is wat ze altijd zeggen.
Maar mijn hart klopt toch sneller.
De lichten boven me knipperen – heel even maar - en mijn keel knijpt samen. Ik kijk omhoog en volg de beweging alsof het een waarschuwing is.
Te fel.
Te wit.
Te steriel.
Ik haal langzaam adem door mijn neus en begin te tellen. Eén. Twee. Drie. Ik doe deze oefening om te kalmeren inmiddels op automatische piloot. Het is intussen een gewoonte geworden waar ik niet meer hoef over na te denken.
Je bent hier. Je bent veilig. Dit is het nu.
De lift gaat verder omlaag en geeft er duidelijk niet om dat mijn handpalmen zweten en mijn kaken pijn doen van mijn tanden op elkaar te klemmen.
Ik heb dit al eerder gedaan.
Dat is precies het probleem.
Zodra de deuren op de begane grond opengaan, stap ik snel naar buiten, alsof ik weg moet voordat de muren op me afkomen. Het ziekenhuis strekt zich voor me uit - glanzende vloeren, zachte stemmen, die constante, gehaaste spanning die nooit echt weggaat.
Meestal voel ik me hier thuis. Capabel. Gewoon mezelf.
Vandaag voel ik me kwetsbaar.
Ik kijk op mijn horloge.
Ik heb nog tijd.
Genoeg tijd om iets normaals te doen.
Zonder na te denken draai ik me om en loop naar het café tegenover het ziekenhuis. Mijn voeten kennen de weg. Eerst koffie. Koffie helpt altijd. Het geeft mijn handen in elk geval iets te doen.
De geur van verse koffie waait me tegemoet zodra ik het café binnenstap. Warme lucht slaat om me heen, en heel even kan ik opgelucht ademhalen.
Dit is mijn laatste kans om te ontspannen voordat mijn dienst begint, en ik heb het nodig. Mijn jaarlijkse keuring is over een paar uur, en ook al stelt het zogezegd niks voor, toch ben ik op van de zenuwen.
Ik adem langzaam uit. Gewoon koffie, een paar minuten rust, en dan weer terug naar de chaos.
Het café zit vol leven, met zacht geroezemoes, het gesis van de espressomachine en het gekletter van servies. Het is normaal. Vertrouwd.
En dan voel ik het.
Iemand kijkt naar me.
Ik krijg kippenvel, alsof het een waarschuwing is.
Ik kijk niet meteen. Dat heb ik mezelf afgeleerd. Maar het gevoel gaat niet weg. Het is een scherp en geladen gevoel. Uiteindelijk kijk ik toch even naar links. Zodra ik mijn hoofd draai, stokt mijn adem.
Hij zit bij het raam, met één hand om zijn koffie en de andere ontspannen tegen zijn kaak. Donker haar. Blauwe ogen die niet wegkijken.
Hij probeert niet eens te verbergen dat hij me aan het aanstaren is. Er is iets aan de manier waarop - zelfverzekerd, alsof hij al wist dat ik terug zou kijken.
Ik zou weg moeten kijken. Dat doe ik niet.
Zijn lippen krullen op, bijna in een glimlach, en mijn hart slaat een slag over.
Ik kijk hem één seconde recht in de ogen aan.
Daarna draai ik me weg.
Ik flirt niet met vreemden.
Ik zoek geen problemen op.
Niet voor ik aan mijn dienst begin. Nooit.
Ik schuif een stukje op in de rij en dwing mezelf om adem te halen, maar ik voel zijn blik nog steeds op me branden.
“De volgende.”
Ik stap naar voren. “Een middelgrote zwarte koffie.”
De barista knikt en tikt op het scherm.
Achter me hoor ik hem bewegen. Hij stopt naast me, dicht genoeg voor mij om zijn geur op te vangen - schoon, warm, een beetje gevaarlijk.
“Je bestelt als iemand die geen menukaart nodig heeft,” zegt hij.
Ik blijf recht voor me uit kijken. “Ik verspil geen tijd met doen alsof.”
Hij lacht zacht en ontspannen. “Daar heb je een punt. Kom je hier vaak?”
“Vaak genoeg om te weten wat ik wil,” zeg ik op een rustige toon.
Als het hem stoort, laat hij dat niet merken.
“Ik ben Adam McCarter,” zegt hij, alsof hij me iets heel belangrijks geeft.
Ik werp een blik op hem – snel en voorzichtig - en geef hem uiteindelijk toch een stukje van mezelf.
“Anna.”
Hij trekt zijn wenkbrauwen op, alsof dat het enige is wat hij hoeft te weten.
“Anna, je lijkt me niet iemand die houdt van beleefde kletspraatjes,” zegt hij.
“Dat klopt,” geef ik toe, zonder zelfs maar een poging te doen het te verbergen.
Hij valt even stil, maar het is niet ongemakkelijk. Het is alsof hij echt nadenkt over mijn woorden.
“Daar hou ik wel van,” zegt hij met een zachtere glimlach. “De meeste mensen doen zich anders voor.”
“De meeste mensen hebben tijd om zich anders voor te doen,” zeg ik, en dat meen ik.
Zijn glimlach verdwijnt niet, maar is langzamer nu - nieuwsgierig, niet arrogant.
Ineens maakt de espressomachine een vreselijk krijsend geluid. Hete stoom spuit eruit, wild en woest. Een barista gilt en valt op de grond, terwijl ze naar haar arm grijpt. Haar huid begint al rood te worden.
Er gaat meteen een knop bij me om.
“Aan de kant,” zeg ik, mijn stem scherper dan ik verwachtte.
Ik duw de man naast me opzij en merk amper op hoe stevig hij gebouwd is terwijl ik me voor de barista op mijn knieën laat vallen.
“Ik heb koud water nodig. Nu,” zeg ik terwijl mijn handen al aan het werk zijn. “Raak de huid niet aan. Trek nergens aan.”
Iemand aarzelt.
Ik kijk op. “Nu meteen.”
Daardoor komen ze meteen in beweging.
De wereld om me heen vervaagt tot verbrande huid en trillende ademhalingen.
En dan -
De grond lijkt onder me weg te zakken.
Mijn zicht wordt wazig. De lampen boven me zijn te fel en te wit. Het geluid van de espressomachine verandert in iets anders - krakend metaal, brekend glas, een kreet die dreigt uit mijn eigen keel te ontsnappen -
Nee.
Ik dwing mezelf om te ademen. Koude tegels onder mijn knieën. Een hartslag onder mijn vingers. Blijf hier. Blijf in het nu.
Handen stil. Stem rustig
“Het komt goed,” vertel ik de barista, ook al draait mijn maag zich om. “Het komt helemaal goed.”
Sterke armen verschijnen naast me en geven me servetten, ijs, water en alles wat ik verder nodig heb.
Wanneer ik eindelijk opkijk, zit hij gehurkt naast me. Zijn blauwe ogen zijn nu donkerder, met iets nieuws erin te lezen.
Respect.
Bezorgdheid.
Opeens voelt het café veel te klein aan.
Loeiende sirenes komen dichterbij.
Ambulanciers rennen naar binnen en nemen het over. Ze tillen de barista voorzichtig op. Mijn benen trillen wanneer ik opsta, en ik veeg mijn handen af aan mijn spijkerbroek.
“Gaat het?” vraagt hij met een zachte stem.
Ik knik. “Ja.”
Het is een leugen. Maar het is wel de leugen die ik altijd gebruik.
Het wordt even stil tussen ons. De stilte voelt zwaar en gespannen.
“Ik weet dat dit waarschijnlijk niet het juiste moment is,” zegt hij, en voor het eerst klinkt hij onzeker. “Maar ik zou er spijt van krijgen als ik het niet vroeg. Je hebt me je naam al gegeven. Mag ik misschien ook je nummer?”
Ik kijk hem in de ogen. “Ik geef mijn nummer meestal niet aan vreemden.”
Zijn mondhoeken krullen op, heel lichtjes maar. “Ik vraag er meestal ook niet om.”
Ik aarzel.
Misschien komt het door de manier waarop hij naar me kijkt. Misschien omdat ik afleiding nodig heb voor ik aan mijn dienst begin. Misschien ligt het gewoon aan hem - die vlotte zelfverzekerdheid in een lichaam dat eigenlijk een waarschuwingslabel zou moeten hebben.
Tegen beter weten in pak ik mijn telefoon en ontgrendel het scherm.
Zijn glimlach wordt langzaam breder en hij kijkt tevreden.
Hij typt iets in en geeft me dan mijn telefoon terug. “Ik zal me gedragen,” belooft hij.
Ik snuif even. “Dat betwijfel ik.”
“Goed mogelijk,” zegt hij met een grijns.
Ik laat mijn adem ontsnappen die ik onbewust had ingehouden. Mijn hart bonst nog steeds terwijl ik mijn koffie pak en naar buiten loop. Mijn hoofd draait overuren en ik blijf maar denken: wat is er zojuist in hemelsnaam gebeurd.
Tijd om terug te keren naar de realiteit.
Tegen de tijd dat ik in het ziekenhuis aankom, zit Samantha al in de personeelsruimte te wachten, met haar armen over elkaar geslagen en een betekenisvolle blik in haar ogen.
“Waarom zie je eruit alsof je net een geest hebt gezien?” vraagt ze meteen wantrouwig.
Ik plof neer op de stoel tegenover haar en schud mijn hoofd. “Ik heb net mijn nummer gegeven aan een man in een koffiebar.”
Haar ogen worden groot. “Jij? Je nummer gegeven? Aan een vreemde? Waarom?”
Ik haal mijn schouders op, ook al klopt mijn hart nog steeds razendsnel. “Ik weet het niet. Het voelt... anders.”
Samantha leunt naar voren met een schittering in haar ogen. “Hoezo anders?”
Ik pers mijn lippen op elkaar en denk na. “Alsof... ik weet het niet. Alsof hij al wist dat ik ja zou zeggen.”
Haar wenkbrauwen schieten omhoog en ze grijnst. “O, dit wordt leuk.”
Ik kreun. “Nee hoor. Het stelt niks voor. Het was gewoon een onschuldige conversatie.”
Samantha mompelt zachtjes, gelooft er duidelijk niks van. “Tuurlijk. En ik ben Moeder Teresa.”
Ik rol met mijn ogen, maar voordat ik nog iets kan zeggen, gaat mijn pieper af. Tijd om me te concentreren.
Maar net wanneer ik opsta om aan mijn dienst te beginnen, trilt mijn telefoon in mijn zak.
Een nieuw bericht.
Adam
Leuk je te leren kennen, Anna. Laten we snel praten. Ik hoop dat je een fijne dag hebt.
Ik bijt op mijn lip. Nou. Dit is ongetwijfeld niet niets.
Ik moet me op mijn werk concentreren.
Ik zou me op mijn werk moeten concentreren.
Of dat is toch de bedoeling.
Maar mijn telefoon trilt weer. Ik kan het niet laten en kijk toch.
Adam
Dus... koffie was duidelijk niet genoeg.
Mijn hart maakt een sprongetje. Ik staar naar het bericht en bijt op mijn lip. Dan typ ik iets terug.
Adam
Dat is een brutale aanname.
De drie puntjes die aangeven dat hij aan het typen is verschijnen, verdwijnen weer en komen dan terug.
Adam
Laat me het dan anders formuleren. Ik wil je graag nog een keer zien, maar dan fatsoenlijk.
Ik vergeet even adem te halen.
Dit is het moment waarop ik het gesprek waarschijnlijk moet afkappen.
Maar dat doe ik niet.
Anna
Ik spreek normaal niet af met vreemden.
Adam
Goed zo. Ik vraag er meestal ook niet om.
Mijn wangen gloeien. Ik aarzel even en typ dan:
Anna
Eén drankje. Na mijn dienst.
Elke keer wanneer ik een seconde de tijd heb om adem te halen, gaan mijn gedachten terug naar de koffiebar. Naar hem. Naar de manier waarop hij mijn naam zegt, alsof het iets is dat hij wil proeven. De manier waarop zijn ogen op me blijven rusten, alsof hij me in zijn geheugen prent.
Dit is belachelijk. Ik ken hem amper.
Maar ik voel de hitte van zijn blik nog steeds op mijn huid branden.
“Aarde aan Anna,” zingt Samantha, die tegen mijn arm stoot terwijl we onze handen wassen voor de operatie.
Ik knipper met mijn ogen en ontwaak uit mijn dagdroom. “Wat?”
Ze grijnst en werpt een blik op mijn zak. “Je telefoon trilde net weer.”
Ik aarzel, maar ze leunt al naar me toe, haar ogen groot. “O mijn God, is hij het? Die koffiebar-kerel?”
“Noem hem niet zo,” mompel ik, maar mijn maag maakt een salto wanneer ik een stiekeme blik op mijn telefoon werp.
Adam
Afgesproken.
Ineens voelt mijn telefoon veel te zwaar aan.
Dit wordt nu echt gevaarlijk.
Ik vergrendel het scherm voordat Samantha mijn telefoon kan pakken.
Haar grijns wordt alleen maar breder. “Zijn jullie al naar elkaar aan het sturen? Anna, deze man heeft zijn klauwen al in je gezet.”
Ik rol met mijn ogen en trek mijn handschoenen uit. “Het is maar één berichtje.”
“Eén berichtje,” herhaalt ze zelfvoldaan. “Je bent er geweest.”
Ik stop mijn telefoon diep in mijn zak en was mijn handen opnieuw. “Kunnen we ons concentreren? Ik heb werk te doen.”
Samantha knipoogt. “Wat jij wilt, dokter Wilson.”
Voordat ik antwoord kan geven, klinkt er gekraak uit de intercom van het ziekenhuis boven ons.
“Alle stagiairs en assistenten, gelieve jullie naar de grote hal te begeven voor een mededeling.”
Ik kijk Samantha aan. “Dat is vreemd.”
Ze haalt haar schouders op. “We zullen er snel achter komen.”
Tegen de tijd dat we bij de grote hal aankomen, staat die al vol - stagiairs, assistenten, verpleegkundigen en specialisten dicht op elkaar. Er hangt een nerveuze nieuwsgierigheid in de lucht, vol gefluister en speculaties.
Dit gebeurt normaal nooit.
Dan komt de menigte in beweging, en Ursula Jones stapt op het kleine podium vooraan.
Ze hoeft haar stem niet eens te verheffen. Ze dwingt vanzelf respect af. Ze is lang en haar zilvergrijze haar zit in een perfecte knot. Met haar scherpe blik neemt ze de ruimte in zich op.
Het geroezemoes stopt meteen.
Heel even rust haar blik op mij. Er zit een warmte in haar ogen – heel even maar - maar is dan meteen weer weg.
“Ik weet dat jullie je afvragen waarom ik jullie naar hier heb laten komen,” zegt ze. Haar stem klinkt rustig en beheerst. “Vandaag verwelkomen we een nieuw lid in ons chirurgisch team.”
Ik verplaats mijn gewicht, maar half geïnteresseerd. Het is waarschijnlijk gewoon een nieuwe specialist.
“Iemand die heeft gewerkt in een paar van de beste ziekenhuizen in Europa,” gaat Ursula verder. “Een chirurg die ik vertrouw om te leiden met excellentie, discipline en integriteit - niet omdat hij mijn neefje is, maar omdat hij uitblinkt in alles wat hij doet.”
Mijn borst trekt samen. Niet van opwinding, maar iets anders. Iets scherps en ongemakkelijks.
Haar neefje.
“Ik vraag jullie allemaal onze nieuwe algemeen chirurg welkom te heten...”
Ze valt even stil, precies lang genoeg om iedereen de adem te laten inhouden.
“...dokter Adam McCarter.”









































