
Schat van de Zee
Auteur
Lezers
504K
Hoofdstukken
11
Hoofdstuk 1
SCYLLA
Mijn dag begon net als elke andere dag in mijn simpele huis aan zee. Ik werd alleen en eenzaam wakker, maar de lokkende roep van de zee trok me uit mijn bed.
Ik keek uit het raam naar buiten. De felle zon herinnerde me er al snel aan om niet direct naar het water te staren. Het licht glansde, schitterde en weerspiegelde namelijk op de enorme smaragdgroene en saffierblauwe zee. Mijn zee.
Mijn familie viste hier al generaties lang. We leefden al die tijd tussen vreemde wezens en wilde rariteiten. We keken naar de gevleugelde monsters in de lucht, de enorme beesten met klauwen op het land, en de dodelijke demonen met schubben in het water.
Iedereen in mijn familie had de zeeduivels gezien. Ze staken hun hoofden boven de verre golven uit, en kwamen uit de diepste diepten. Papa waarschuwde me altijd om daar niet heen te gaan. Onze boten waren niet gemaakt voor het diepe water, en wij ook niet.
Er werden verhalen verteld over deze demonen die zich onder het wateroppervlak verborgen. Er werd gezegd dat ze half mens en half vis waren, en net zo wild als haaien. Hun klauwen zouden een man in één klap in tweeën kunnen scheuren. Ook zouden ze kleine boten met hun armen kunnen verpletteren.
Maar ik heb die verhalen nooit geloofd. Iets wat zo mooi is als de zee, kon niet zoiets lelijks verbergen. Ik wist dat iedereen het mis had over hen. Ze werden gewoon verkeerd begrepen. Ik voelde me daar nooit in gevaar. Het voelde als thuis.
Terwijl ik een luchtig wit zomerjurkje aantrok, bad ik dat dit de dag zou zijn. De dag dat ik een van deze prachtige wezens zou ontmoeten. Ik bad er elke dag voor en droomde er elke nacht over.
Geen enkele man kon concurreren met mijn eigen fantasieën. Dat was de reden waarom ik nog steeds ongetrouwd en onaangeraakt was. En dat op een leeftijd waarop de meeste vrouwen al een gezin stichtten. Maar de eenzaamheid begon me langzaam op te breken.
Ik nam het kronkelende pad naar de baai. Ik wist dat daar een kleine vissersboot op me zou wachten. Ik trok de oude, bruine houten boot het water in. De zeepokken, die ik net als de sterren aan de hemel kon uittekenen, lieten lijnen achter in het zand.
Ik pakte de roeispanen en roeide naar het ondiepe water om te vissen. Het water was daar zo helder dat je het lichte zand op de bodem kon zien. Ik gooide mijn net uit en staarde naar de kleurrijke vissen die voorbij schoten. De zachte rimpelingen van het water stelden me gerust terwijl ik nadacht over mijn leven.
Ik was iemand die op de achtergrond bleef. Ik viste terwijl de sterke mensen op wilde avonturen gingen. Ik haalde mijn netten op terwijl helden tegen de monsters van de wereld vochten. Ik verkocht mijn vis terwijl degenen die terugkeerden vertelden over hun moed.
Ik luisterde als anderen de verhalen van de dag deelden. Een veelbelovende ridder had een draak gedood. Een prins had zijn geliefde prinses uit een toren gered. Een groep avonturiers had voorkomen dat een tovenaar de wereld in eeuwige duisternis hulde.
Ik had een simpel leven in een chaotische en magische wereld. Vroeger vond ik dat helemaal prima.
Maar vorige week had ik iets gezien wat ik niet had mogen zien. Het had namelijk alles veranderd.
Onder een zwarte hemel vol fonkelende zilveren sterren was ik op weg naar huis na het verkopen in het dorp. Tijdens deze verder normale tocht hoorde ik ineens geluiden. Het ritselen van kleding en het gehijg.
Ik wist wat het was en dat iedereen het deed. Het was de natuur, en het was nog zo veel meer. Ik wist ook dat ik niet dichterbij mocht sluipen om te kijken. Maar ik had mezelf niet kunnen tegenhouden.
Mijn wangen werden warm bij de herinnering. Toen schoot er een stroomstoot tussen mijn benen. Ik sloot mijn ogen om mezelf weer even terug te brengen naar dat moment.
Ik was de geluiden gevolgd en had om de hoek van een steegje gegluurd. Twee mensen lagen in elkaar verstrengeld vol passie. De man had de vrouw toen omgedraaid en voorover gebogen. Hij neukte haar beestachtig tegen de achterkant van een herberg, totdat ze samen een zalig hoogtepunt bereikten.
Op dat moment begon een deel van mij, diep vanbinnen, te verlangen. Ik verlangde ernaar om die vrouw te zijn. Om zo begeerd te worden, om zo hard geneukt te worden. Dit verlangen had zich daarna verplaatst naar mijn nachtelijke fantasieën.
Ze waren intenser geworden. Ik had inmiddels een manier ontdekt om mezelf een zalig hoogtepunt te bezorgen, maar dat hielp niets tegen de eenzaamheid. Sterker nog, het had het alleen maar erger gemaakt.
De boot schudde plotseling en draaide naar links. Mijn ogen vlogen open. Ik trok snel mijn hand weg van tussen mijn benen. Het water rukte me ruw uit mijn herinneringen.
Ik keek in paniek om me heen. Ik besefte dat ik te ver was afgedreven. Wegdromen dat ik in de positie van die vrouw was, had mijn aandacht afgeleid. Nu danste mijn boot over golven die steeds groter werden.
Op weg naar het diepe water.













































