
The Royal Legacy 10: Tweeling van Satin Moon
Auteur
Emily Goulden
Lezers
26,4K
Hoofdstukken
52
Hoofdstuk 1
Boek 10: The Twins of Satin Moon
MAIZEY
Ik wreef over het vage litteken op mijn linkerpols, ruw en lelijk, dat me altijd herinnerde aan een tijd die ik liever wilde vergeten. Vreemd genoeg maakte het me echter rustig, misschien omdat het me aan mijn eigen kracht herinnerde.
„Mevrouw Grace?“ Een stem haalde me uit mijn dromen.
„Ja?“ Ik keek op naar de serieuze vrouw voor me. Ze stond achter een groot bureau en staarde naar een map in haar handen.
„Het lijkt erop dat al uw papieren in orde zijn. Heeft u al een huis in de stad gevonden?“ vroeg ze me, terwijl ze de map neerlegde en me recht aankeek.
„Ja, mijn broers en ik hebben een mooi huis buiten de stad gevonden.“ Ik glimlachte beleefd.
„Oh? In welk dorp gaan jullie wonen? Ik hoop dat de reistijd niet te lang is,“ zei ze, terwijl ze in de grote, rode bureaustoel ging zitten.
„Covington, mevrouw, helemaal niet ver rijden.“
Ik had net een nieuwe baan aangenomen in het centrum van Atlanta, Georgia. Omdat ik daarvoor in Stanford en Chicago had gewoond, was ik het gewend om in de stad te wonen.
Maar mijn broers wilden wat meer rust, dus spraken we af om in de kleinere dorpen aan de rand van Atlanta naar een huis te zoeken. We hadden het geluk een historische boerderij te vinden, die groot genoeg was om ons allemaal de privacy te geven die we van elkaar nodig hadden.
„Dat is een prachtige keuze,“ zei ze, nadenkend knikkend, alsof haar mening mij plotseling van gedachten zou doen veranderen over waar ik ging wonen.
„Hoe dan ook, mevrouw, bedankt dat u vandaag tijd voor me heeft gemaakt, zodat we alles in orde konden maken.“ Ik bracht het gesprek terug naar het eigenlijke onderwerp.
„Natuurlijk, kunt u over twee weken bij ons beginnen?“ vroeg ze.
„Twee weken?“ Ik vond het gek dat ik nog zo lang moest wachten.
„Dan is het lab pas klaar en zullen uw andere collega's beginnen,“ legde ze uit.
„Oh, nou ja, dat is prima.“ Ik knikte.
„Over twee weken dus. Ik zal het in de agenda zetten.“ Ze stond op en bood me haar hand aan.
Ik schudde haar hand voordat ik haar kantoor en het technologiegebouw van Greyback verliet.
Toen het gerespecteerde Greyback Industries me een baan aanbood in hun nieuwe robotprogramma, kon ik dat gewoon niet weigeren. Ik was de jongste vrouw die afstudeerde aan Stanford met drie masterdiploma's in de computerwetenschappen, en ik stond te popelen om mijn plek in de wereld te veroveren.
Met mijn eenentwintig jaar had ik al meer dan genoeg gezien van de harde mannenwereld in de wetenschap, en het was een strijd om alleen al serieus genomen te worden.
Ik zou de kans om niet alleen deel uit te maken van mijn eigen programma, maar het ook mede te leiden, natuurlijk nooit laten schieten.
Ik liep de lift uit en met hernieuwd zelfvertrouwen door de hal, opgewonden om mijn oude leven vol studie en eenzaamheid achter me te laten. Ik had grote hoop en nog grotere verwachtingen voor mijn leven hier, en mijn broers ook.
We hadden allemaal veel achtergelaten door hiernaartoe te komen, maar we waren er allemaal evenzeer klaar voor om aan iets nieuws te beginnen.
Mijn enthousiasme was echter van korte duur toen ik recht tegen de schouder van een lange, blonde godin op botste.
„Kijk uit waar je loopt!“ krijste ze, terwijl ze een stap van me wegzette alsof ik de pest had.
„Het spijt me ontzettend,“ verontschuldigde ik me snel, opkijkend naar de beeldschone en erg lange vrouw die voor me stond.
„Ja, dat mag ook wel. Wie ben jij eigenlijk?“ Ze keek me boos aan en ik knipperde geschrokken met mijn ogen.
„Pardon?“ Kent ze iedereen die ooit in dit gebouw is geweest?
„Ben je doof of gewoon dom? Ik vroeg wie je bent. Ik ben de receptioniste hier. Ik ken iedereen, en ik ken jou niet,“ snauwde ze bijna naar me.
„Ik ben nieuw,“ stotterde ik.
„Toch geen nieuwe receptioniste, hoop ik.“ Ze lachte zachtjes in zichzelf.
„Nee, een nieuwe ingenieur in het robotlab.“ Ik vond mijn stem terug en diende haar op dezelfde arrogante toon van repliek, wat haar vrij snel tot zwijgen bracht.
„Het zal wel. Kijk de volgende keer gewoon uit waar je loopt, nieuweling.“ Ze rolde met haar ogen en liep met een boog om me heen.
„Maak je niet druk om Ana, ze is tegen iedereen een bitch,“ grinnikte een goedgebouwde man die van achteren op me af was geslopen.
Wat is er toch met deze mensen? Is iedereen hier zo lang en knap? „Oh, eh, het geeft niet.“ Ik wilde gewoon weggaan.
„Ik hoorde dat je bij het nieuwe robotprogramma hoort. Dat is geweldig! Ik ben Miles, ik werk in het computerprogrammeren.“ Hij stak zijn hand uit, en ik schudde hem.
„Leuk je te ontmoeten,“ mompelde ik, weigerend hem mijn naam te geven. Hij leek het niet eens door te hebben.
„Nogmaals, sorry voor Ana. Ze is mijn mate. Daar kan ik niets aan doen.“ Hij lachte alsof ik moest begrijpen wat dat betekende.
„Je wat?“
Zijn ogen werden iets groter. „Vriendin, ze is mijn vriendin. Sorry, het is gewoon een term die we hier gebruiken. Het is eigenlijk best wel gênant.“ Hij lachte weer, maar deze keer klonk hij een stuk zenuwachtiger.
„Oké, nou, ik kan maar beter gaan,“ zei ik, terwijl ik naar de deur liep.
„Tot ziens, wie je ook bent.“ Hij zwaaide en lachte om mijn naamloosheid.
Ik zwaaide wezenloos terug, zonder iets te zeggen. Ik was niet in de stemming om nieuwe vrienden te maken. Sterker nog, ik had ook geen zin in oude vrienden. Ik was niet bepaald wat je een gezelligheidsdier zou noemen.
Ik haastte me de hal uit, voordat ik nog meer lange mannen of arrogante vrouwen tegen het lijf kon lopen die eruitzagen als Griekse goden. Eenmaal op straat vond ik mijn weg naar de parkeergarage waar mijn auto stond. Ik verachtte parkeergarages; ze waren donker, vochtig en gevaarlijk.
Ik voelde me ongemakkelijk zodra ik er een binnenstapte. „Doe even normaal, Maizey,“ mopperde ik tegen mezelf, terwijl ik mijn tas stevig tegen mijn borst klemde en naar de lift strompelde.
Mijn afspraak was midden op de dag, dus de garage was vol en ik was gedwongen op de bovenste verdieping te parkeren. Ik moet zeggen dat ik daar best dankbaar voor was, aangezien die verdieping in ieder geval in de buitenlucht was.
Ik drukte op de knop voor de vijfde verdieping en luisterde zenuwachtig naar de krakende lift. Ik sprong er nog net niet uit toen de deuren opengingen en de frisse lucht mijn gezicht raakte. Ik haastte me naar mijn auto en weerstond de neiging om te rennen.
Toen ik eenmaal in mijn auto zat, deed ik de deuren op slot en haalde opgelucht adem. „Ik moet me niet zo aanstellen,“ mopperde ik, terwijl ik de auto in zijn achteruit zette.
















































