
Zeg dat het voor altijd is
Auteur
Brittany Carter
Lezers
128K
Hoofdstukken
43
Hoofdstuk 1
JOSIE
EEN TIJDJE GELEDEN
Een vochtige windvlaag sloeg in mijn betraande gezicht en prikte in mijn ogen. Ik kneep mijn ogen dicht tegen de felle zon en beende door het bosgebied achter mijn huis.
Ik bleef doorlopen, zelfs nadat het geschreeuw van mijn ouders zachter werd, in een poging weg te komen van de waanzin die ik thuis noemde. Te snel bereikte ik het einde van ons land en het begin van het land van de familie Cross.
Ik wist dat ik de grens niet over mocht steken. Mijn vader had het in mijn hoofd gestampt alsof er een of andere Bigfoot of dodelijke ziekte op me wachtte zodra ik een stap op het land van Cross zette.
Maar ik wist dat er niets zou gebeuren omdat ik de grens al vaker was overgestoken—er waren alleen bomen, vogels en stilte.
Toen ik niet meer kon lopen, ging ik op de grond liggen, zonder me iets aan te trekken van de takjes en het vuil die aan mijn lichaam kleefden. Ik weet niet hoelang ik op de bosgrond lag, terwijl ik wenste dat de lucht me gevangen zou nemen, maar uiteindelijk viel ik in slaap.
Ik werd wakker door pijn in mijn onderrug en ik stond meteen op. De zon stond lager dan eerst, maar door de waas van de slaap heen voelde ik dat er nog iets anders in de buurt was.
Ik drukte mijn handpalmen tegen mijn ogen en wreef tot ik alles weer scherp zag. Toen zag ik iets in de boom, een paar meter verderop.
Ik liep er langzaam naartoe, terwijl ik probeerde de takjes uit mijn haar te halen. Er bungelde een been uit wat leek op een simpele boomhut. Hij was klein en zag eruit alsof een kind hem had gebouwd.
Ik stond daar een beetje ongemakkelijk, keek even omhoog en schraapte mijn keel.
Een jongen stak zijn hoofd naar buiten en leunde naar voren om naar me neer te kijken. Het duurde even voordat mijn slaperige brein besefte dat het niet zomaar een jongen was. Het was Boone Cross.
Oh nee.
Hij was de zomer daarvoor vertrokken, nadat hij was geschorst voor een gevecht, om bij zijn moeder te gaan wonen. Alle vrouwelijke wezens op onze school huilden wekenlang—of was ik dat alleen?—toen hij verhuisde.
Zijn familie was de eigenaar van dit land. Ik vroeg me af of hij boos zou worden of mijn vader zou vertellen dat ik daar was.
Hij knipperde een paar keer met zijn ogen, met een ontzettend sexy slaapkamerblik op zijn gezicht, maar toen hij zich op mij focuste, ging hij rechtop zitten. Er verscheen een blik van angst op zijn gezicht. Waar was hij bang voor? Voor mij?
„Het is onbeleefd om iemand te storen terwijl die slaapt,” zei hij met een zwaar zuidelijk accent. Zijn blonde haar was kort geknipt, wat iedereen het extreme genoegen gaf om zijn opvallend blauwe ogen te zien. „Hallo? Ben je daar?”
Ik kneep mijn ogen samen. „Nou, misschien moet jij niet midden in het bos gaan slapen.”
„Dit is mijn boomhut en jij bent op mijn land, schatje.” Hij wees naar het bordje op de boom achter mijn hoofd—Privéterrein.
„Het spijt me. Ik—”
„Je hoort hier niet te zijn,” zei hij met een verwarde blik. „Je hoort hier echt niet te zijn.”
Ik had nog nooit meer dan twee woorden tegen Boone gezegd. Niet dat ik het niet had geprobeerd. Elke keer als ik op school in zijn buurt kwam, rende hij de andere kant op.
Ik begon bijna te denken dat hij me vreselijk vond.
„Waarom?” flapte ik eruit. „Kun je het niet verdragen om bij mij in de buurt te zijn?”
Ik had niet zo boos moeten worden, maar ik kon er niets aan doen. Op school had hij nooit naar me omgekeken; ik weet niet waarom ik dacht dat het nu anders zou zijn.
Boone schudde zijn hoofd en sloot zijn ogen. „Je hebt het helemaal mis, Josie.”
Ik had mijn naam nog nooit zo perfect horen klinken. „Wat is het dan wel?”
„Je hoort hier gewoon niet te zijn,” zei hij, terwijl hij nog steeds naar beneden keek. Ik wilde vragen waarom hij dat steeds zei.
Ik wist dat hij het niet zou herhalen toen hij zijn hoofd schudde en naar de grond glimlachte. Iets in zijn gezicht vertelde me dat het hem niet meer kon schelen dat ik daar niet hoorde te zijn.
„Wil je dat ik wegga?” vroeg ik uiteindelijk in de stilte.
Boone keek naar me op en zijn ogen lachten voor hem. „Je bent schattig,” fluisterde hij, terwijl hij me in zich opnam met zijn blik.
Mijn gezicht voelde aan als vuur. „Ik ben niet schattig. Schattig is hoe je je kleine zusje noemt.”
Boone zwaaide beide benen naar beneden voordat hij op de grond sprong. Voor iemand die zo lang was, was hij opmerkelijk gracieus.
Oh, hemel. Hij liep naar me toe. Hij was een paar centimeter gegroeid. Hoe lang was hij nu? Bijna één meter negentig?
Zijn grijze T-shirt was gekreukt, maar zat strak om zijn biceps, wat me liet zien dat hij niets van die spieren waar we allemaal bij zwijmelden was verloren. „Iemand wil niet mijn kleine zusje zijn, hè? Heb je slechte bedoelingen met mij, Josie Sawyer?”
„Nee,” zei ik. „Ik wil gewoon niet schattig genoemd worden. Ik ben niet schattig.”
Zijn blauwe ogen twinkelden toen hij glimlachte. „Waarom kom je niet met me mee naar boven in mijn boomhut?” Waar kwam dit vandaan? Had hij me niet net verteld dat ik hier niet hoorde te zijn? Ik had gelijk. Ik nam aan dat het hem niet meer kon schelen?
Ik kruiste mijn armen voor mijn borst, in de hoop dat hij niet zou zien hoe mijn armen beefden. Ik had nog nooit zo lang met hem gepraat en ik voelde me ineens te bloot gekleed. Mijn hemdje liet weinig aan de verbeelding over en het korte sportbroekje hielp ook niet mee.
„Ik wil niet mee naar boven in je boomhut.”
„Leugenaar,” zei hij.
„Zei je net niet dat ik weg moest gaan? Dat ik niet welkom was op het land van Cross?”
Zijn opvallend blauwe ogen keken me strak aan. „Ik zei dat je hier niet hoorde te zijn, niet dat ik niet wilde dat je hier was.”
Mijn adem stokte. Alles wat ik op het punt stond te zeggen verdween in het niets. Het irrationele deel van mij wilde hem geloven en blijven, terwijl het andere deel zo hard mogelijk wilde wegrennen. „Ik ga weg.”
Boone reikte naar voren, sloeg zijn arm om mijn benen en gooide me over zijn schouder. Ik sloeg op zijn rug. „Laat me los! Nu meteen!”
Boone stopte even alsof hij erover nadacht, maar schudde toen zijn hoofd. „Nee, ik denk het niet.” Hij hield mijn bovenbenen stevig vast en zijn grote vingers drukten in mijn huid terwijl hij ons allebei de kleine ladder op hees naar de houten vloer.
Ik trok me los uit zijn greep en keek om me heen. De boomhut was alleen maar een groot platform met een korte houten reling eromheen. „Wat de fuck?” riep ik. „Je kunt iemand niet zomaar dwingen!”
Hij rolde met zijn ogen, deed zijn schoenen uit en leunde achterover om naar me te kijken. „Je kunt iemand die dit zelf wil niet dwingen. Je wilde dit ook. Ik zag het in je ogen.”
„Echt waar? Ik denk dat jij naar de oogarts moet.”
„Maak jezelf dat maar wijs.”
We zaten een paar minuten zwijgend tegenover elkaar terwijl ik zijn blik probeerde te vermijden. Ik voelde die op me rusten—overal. Maar ik was te veel een schijterd om hem aan te kijken.
„Dus,” zei ik trillend, „kom je weer hier wonen?”
Er viel een lange stilte. „Ja.”
Ik keek omhoog en zag een arrogante glimlach op zijn gezicht. „Heb je me gemist?” vroeg hij.
Mijn wangen werden warm. Hij zat aan de andere kant van de boomhut, maar voelde veel dichterbij. „Ik vraag het me gewoon af. Wat deed je hier buiten?”
„Ik denk hetzelfde als jij,” zei hij.
Ik snoof. „Dat betwijfel ik. Probeerde jij soms weg te komen van de Derde Wereldoorlog?”
Boone gaf geen antwoord, maar hij hield me goed in de gaten. Waarom had ik dat eigenlijk gezegd? Mijn privéleven kon hem niets schelen en ik wilde niet dat iedereen het wist.
„Weet je nog wanneer we elkaar voor het eerst hebben ontmoet?” vroeg hij vanuit het niets.
Ik keek even naar hem en trok mijn knieën op tegen mijn borst. Zijn lippen krulden in een kleine glimlach.
We hadden elkaar nog nooit officieel ontmoet. Ik kende hem al sinds de basisschool, maar we hingen nooit echt rond met dezelfde mensen.
Ik schudde mijn hoofd. „Ik denk het niet.”
„Het was hier.” Hij wees naar de boomhut. „Ik was tien, dus jij was waarschijnlijk acht. Je was in je eentje verstoppertje aan het spelen.”
Hij lachte, en ik voelde het in mijn buik. Het was zwaar en rauw, en vloeide over mijn huid als zijde.
„Dat is niet waar.”
„Welles,” zei hij, terwijl hij rechtop ging zitten. „Ik vroeg je of je met mij in mijn boomhut wilde spelen en jij zei dat je geen jongen nodig had om mee te spelen.”
Ik probeerde mijn glimlach te verbergen. „Dat kan ik me niet herinneren.”
Boone schoof dichter naar me toe. Hij legde zijn hand vlak naast de mijne neer. „Dat is niet eens het beste deel.”
Zijn geur nam al mijn heldere gedachten over. Het was houtachtig en mannelijk. Iets wat niet zomaar nagemaakt kon worden. Zo warm.
„Oh ja? Wat is dan het beste deel?” vroeg ik.
„Ik probeerde je te zoenen en jij sloeg me op mijn neus.”
Wat? Er daagde iets in mijn geheugen. Ik kon me vaag zoiets herinneren.
„Weet je het nog?” fluisterde hij. Zijn stem klonk deze keer een stuk dichterbij.
„Een beetje.” Ik lachte. „Dat krijg je ervan, viezerik.”
Boone zat nu naast me. Zijn schouders schudden terwijl hij lachte. Het voelde gek genoeg heel normaal aan.
„Denk je dat je me nu weer zou slaan?” vroeg hij. Zijn stem klonk ineens een stuk zwaarder.
Vroeg hij dat nou echt? Oh, God.
Er ontstak iets zwaars een vuurtje diep in mijn buik. Er waren maanden geweest dat ik over zijn lippen droomde, dat hij me kuste alsof er geen morgen was.
Ik keek hem in de ogen. „Ja,” loog ik.
Ik wist dat hij wist dat het een leugen was. Ik wilde liever dat hij me kuste dan dat mijn ouders stopten met ruziemaken—meer dan ik ooit iets had gewild.
„Leugenaar,” fluisterde hij.
Mijn ademhaling was onregelmatig. Hij maakte geen onverwachte bewegingen en mijn vingers verlangden ernaar dat gezicht aan te raken—die lippen. „Ik lieg niet.”
Hij grijnsde. Dat vond ik leuk aan hem. Hij wist wat ik wilde, hoe hard ik het ook probeerde te verbergen. Het leek alsof hij meer over mij wist dan ik ooit had gerealiseerd.
Hij was voor me komen zitten. In zijn ogen zag ik twijfel en angst, maar ik had geen idee waarom.
Het was de blik van een kind dat op het punt staat iets te doen wat niet mag. Ik begreep niet waarom dit niet mocht.
„Wat als ik jou deze keer de eerste stap laat zetten? Er gebeurt niets als jij er niet voor gaat.”
Dat was een heel dom idee. Mijn verlegenheid en de angst om dingen te verpesten zouden hem geen kus opleveren. „Ik denk niet—”
Hij schoof naar achteren tot zijn rug de boom raakte, pakte mijn handen vast en begeleidde me bovenop hem. Mijn vingers klemden zich vast aan de hardheid van zijn borstkas. Hij had zijn shirt nog aan, maar ik kon de gladheid zien door de lage V-hals.
„Gebruik me, Raven.”
Raven? Mijn hart bonkte zo hard in mijn borst dat het al het andere overstemde. Ik zat schrijlings bovenop Boone Cross in een boomhut, midden in het bos, en hij wachtte tot ik de eerste stap zette.
„Neem je tijd,” fluisterde hij.
Alles wat ik voor dat moment voor andere jongens had gevoeld, was verleden tijd. Er was niemand anders meer dan hij. Het gevoel van zijn hardheid onder mij. De manier waarop zijn handen stil op mijn middel rustten, niet te laag glijdend en niet te hoog reikend. Gewoon een zware aanwezigheid die me verwarmde en kalmeerde.
Het was zo anders dan ik gewend was, en toch alles waarop ik altijd had gehoopt.
„Ik ken je bijna niet,” fluisterde ik.
Boone sloot zijn ogen, maar er verscheen een trage grijns op zijn gezicht. „Maar je voelt het wel, toch? De connectie?”
Dat voelde ik, maar ik gaf geen antwoord. In plaats daarvan liet ik mijn hand over zijn borst naar zijn wang glijden, waar de stoppels langs mijn vingers streken. Hij keek op en staarde me aan met zijn felblauwe ogen, waarmee hij me uitdaagde om weg te kijken.
Dat kon ik niet, want ik had nog nooit zoiets moois gezien.
Boone draaide zijn wang om mijn handpalm te kussen en bleef me aankijken. Een golf van warmte overspoelde me en er ontsnapte een zielige kreun aan mijn lippen.
Ik voelde zijn borstkas trillen onder mijn handpalmen. „Je kunt maar beter naar beneden buigen en me zoenen. Anders breek ik al mijn eigen regels en doe ik het zelf.”
Al zijn eigen regels? Had hij regels voor alle meisjes of alleen voor mij?
Ik kreeg niet de kans om het te vragen.
Zijn vingers gleden naar mijn nek en trokken me naar beneden om zijn wachtende lippen te ontmoeten. De adrenalinestoot verstikte me. Er bestond niets beters dan dit.
„Je smaakt zo lekker,” mompelde hij tegen me, terwijl hij met zijn tong over mijn onderlip streek om binnen te komen. Ik deed mijn mond verder open en verwelkomde het ervaren tempo van zijn tong.
Alles was warm, hard en verslavend. De manier waarop zijn vingers in mijn nek en zijden drukten. De manier waarop hij omhoog duwde tegen mijn wiegende heupen in het meest onbekende maar onvergetelijke ritme ooit gecreëerd.
Zijn diepe gekreun overstemde mijn zachte kreuntjes, en ik werd vloeibaar in zijn handen. Ik was nog nooit op die manier gekust, en dan ook nog door iemand op wie ik al jaren smoorverliefd was.
Toen ik eindelijk afstand nam, legde hij zijn voorhoofd tegen het mijne en strengelde zijn vingers in mijn nek. „Jij bent mijn kleine stukje hemel, Raven.”
Ik was te uitgeput om te vragen waarom hij me Raven noemde en trilde te veel om me te bewegen. Ik heb de hele nacht lang in zijn armen gelegen.

















































