
Neergeslagen
Auteur
Jaberona BL
Lezers
67,5K
Hoofdstukken
39
Verrassing
JULIAN
"Zullen we hem afmaken?"
De vraag doet me grinniken. Amell is zo van het overdreven geweld. Het vliegtuig van de rebellen stort vast vanzelf neer. De pogingen om te ontsnappen zien er bijna zielig uit, met die dikke zwarte rookpluim die er achteraan zweeft als een sluier des doods. In zijn panische ontsnappingspoging raakt de piloot van de straaljager bijna de klif.
"Een verspilling van munitie," zeg ik in de microfoon, maar tegelijkertijd draai ik me om en volg ik Amell.
Stomme rebellen dachten dat ze ons konden verrassen, en kijk waar het ze gebracht heeft.
Volgens onze informatie is dit hun laatste gevechtsvliegtuig in dit gebied, dus misschien moeten we de tijd nemen om ze volledig uit te schakelen.
We laten de basis achter ons, waardoor het moederschip dat erboven zweeft nu uit het zicht is. We manoeuvreren tussen de roodkleurige canyonwanden.
De aarde onder ons is grijs en onvruchtbaar door eeuwenlange blootstelling aan straling. Er kan hier niets leven – althans niet het soort levensvormen die je buiten je nachtmerries zou willen tegenkomen. De overgebleven menselijke bevolking verstopt zich ondergronds. Het zou beter zijn geweest als ze daar waren gebleven, in plaats van af en toe naar buiten te komen om onze schepen aan te vallen.
"Hij is van mij," kraakt Amells stem door mijn headset.
"Mooi niet," zeg ik, meer om hem te plagen dan iets anders.
"Rot op." Hij schiet vooruit, maar kan de ontsnappende straaljager niet raken, die naar rechts en links zwenkt in een poging hem af te schudden.
De straaljager is, nu ik erover nadenk, verrassend wendbaar gezien de hoeveelheid zwarte rook die eruit komt. Ik zou verwachten dat hij inmiddels een vleugel of twee verloren zou hebben en naar beneden was gestort.
"Waar heb je hem geraakt om al die rook te krijgen?"
"Helemaal niet," antwoordt Amell na een pauze, "ik dacht dat jij hem had geraakt."
Ik frons. Als onze raketten hem gemist hebben, waar komt die rook dan vandaan?
De sluier wordt zo dik dat we bijna niets meer kunnen zien.
Misschien was dat juist de bedoeling.
"Amell," roep ik, maar voordat ik mijn vermoeden kan uiten, vliegen we op een bocht in de canyonwanden af. Uit de rookwolk schieten ineens twee gloednieuwe gevechtsvliegtuigen tevoorschijn, die ons bestoken met kogels.
Vanuit mijn ooghoek zie ik links een vuurbal, waar Amells toestel net nog was. Voordat ik het kan bevatten, word ik hard in mijn flank geraakt en stort ik tegen de canyonwand, waarna ik sterf.
Of zo voelt het tenminste.
Wanneer ik mijn ogen open, zijn de hoofdpijn en de geur van brandende bedrading te sterk om te verwarren met het hiernamaals.
Ik maak mezelf los uit de veiligheidsgordels en doe mijn helm af. Mijn zicht is wazig. Ik moet hier uit zien te komen, maar ik weet niet meer waar de uitgang is. Ik schud mijn hoofd en wrijf in mijn ogen.
Verdomme, dit kan niet waar zijn. Hoe kon alles zo snel misgaan? En waar is Amell?
Dan herinner ik me de vuurbal en kreun ik gefrustreerd. Hij was niet bepaald mijn vriend, dus ik ben meer van streek dat ik deze situatie alleen moet oplossen, dan over het feit dat de man met wie ik net nog sprak, nu dood is.
Terwijl mijn zicht weer helder wordt, realiseer ik me dat de uitgang zo'n beetje overal is, aangezien het hele bovenste deel van mijn cockpit eraf is gerukt. Het is een wonder dat ik nog leef.
Ik klim naar buiten en laat me naar de grond zakken, waarbij ik op mijn zij val. Terwijl ik op adem probeer te komen, prikt er iets tegen mijn hoofd. Ik kijk op en zie het zwarte oog van een geweer naar me terugstaren.
Rebellen.
Drie van hen. Eentje staat naast me, twee anderen achter hem. Ik kan hun straaljager op de achtergrond zien staan. Het lijkt erop dat zij een betere landing hebben gehad dan ik. Niet dat dat er nu iets toe doet, met het geweer op mijn gezicht gericht.
"Nee," zeg ik, terwijl ik probeer op te staan, maar door het misselijke gevoel kom ik niet verder dan mijn knieën, en daar blijf ik.
Dit klopt niet.
Ik ben van koninklijke afkomst.
Zo kan ik niet sterven.
Vader heeft altijd gezegd dat we staand en trots moeten sterven, als het erop aankomt.
Als het erop aankomt, wil ik helemaal niet sterven.
"Nee," herhaal ik, maar het komt er nauwelijks hoorbaar uit, met mijn mond vol stof en bloed. Mijn aandacht is zo gefixeerd op het geweer dat de man die het vasthoudt slechts een waas voor me is. Toch kan ik zijn beweging onderscheiden als hij het wapen tegen mijn voorhoofd drukt. Dan draait hij zich naar zijn metgezellen en zegt: "Zullen we hem afmaken?"
Ik schud mijn hoofd en kreun uit protest.
Verdomme, ik kan deze barbaren mijn hersens er niet uit laten schieten.
Ik zoek naar woorden, maar mijn gedachten zijn leeg.
"Doe het niet," weet ik uiteindelijk uit te brengen. Lang niet het niveau van welsprekendheid dat ik nu nodig heb.
"Wat?" zegt hij. "Vertel jij mij nou wat ik moet doen? Je bent er geweest."
Ik kijk op en hij lacht, hij lacht me echt uit, en ik weet dat ik deze man zal vermoorden als ik lang genoeg leef om de kans te krijgen. Deze vernedering is onvergeeflijk. Woede schiet door me heen en brengt al mijn zintuigen terug.
"Mij vermoorden zou zonde zijn." Deze keer klinkt mijn stem verrassend helder. "Ik ben levend meer waard dan dood."
"O ja? Een waardeloze kleine piloot die zo makkelijk in de val te lokken is?"
Ik doe mijn best en kom overeind, terwijl zijn geweer mijn bewegingen volgt.
"Ik ben Julian Maynard," zeg ik. "De zoon van Lord Maynard."
Dat doet zijn grijns verdwijnen.









































