
Trapping Quincy (Nederlands)
Auteur
Nicole Riddley
Lezers
🔥14,8M
Hoofdstukken
92
1: Mijn Gouden God
Quincy St. Martin
Ik ben een expert in sloten openmaken.
Als je al sinds je negende elke week in een kamer wordt opgesloten, heb je geen andere keuze dan die vaardigheid onder de knie te krijgen.
Toch levert het slot van vandaag me problemen op. Of misschien is het gewoon de ondraaglijke benauwdheid op zolder.
Ik veeg het zweet van mijn voorhoofd, gefrustreerd door de koppigheid ervan.
Wanneer heb ik voor het laatst gegeten?
Ik laat mijn zelfgemaakte gereedschap vallen, geef het op en glijd weg in een waas van uitputting. Ik geef me eraan over en verdwijn in de duisternis.
Ik ren.
Zo snel als mijn benen me kunnen dragen. Ik kan niet op adem komen onder de hete Californische zon.
Het enige wat ik hoef te doen is de volgende bocht om te gaan en...
Ik kom slippend tot stilstand. Er doemt een hek voor me op. Ik zit in de val.
Ik draai me om en zie hem.
Hij heeft zijn duimen in de voorzakken van zijn donkere designerjeans gehaakt. Zijn blauwgrijze henleyshirt spant strak over zijn brede schouders en borstkas.
Zijn gouden haar glinstert in de zon. Mijn gouden god. Oh, nee, nee, nee... Hij is niet van mij.
Hij tilt eindelijk zijn kin op, alsof hij me uitdaagt.
Van zo dichtbij ziet hij er nog adembenemender mooi uit.
Zijn huid is onberispelijk. Elk gezichtskenmerk is zo scherp, alsof het uit graniet is gehouwen. De topjes van zijn dikke gouden wimpers glinsteren in de zon.
Zijn ogen zijn helder, levendig groen, als vers gras in de vroege lente.
Er bonst iemand op mijn deur.
Nee, laat me slapen. Ik ben nog nooit zo ver gekomen.
De lucht knettert tussen ons. Er zit een vurige bezitsdrang in de manier waarop hij naar me kijkt, en ik kan mijn ogen niet van hem afhouden, al hing mijn leven ervan af.
Het geluid van onze zware ademhaling is het enige wat ik kan horen.
„Quincy, word wakker!“
Nee, alsjeblieft, nog maar vijf minuutjes.
Hij leunt naar voren. Zijn volle rode lippen op centimeters afstand van de mijne.
Plons! Ik word uit mijn slaap gerukt doordat iemand ijskoud water over me heen gooit.
Ik ga proestend rechtop zitten en kijk om me heen om te zien wie daar is.
Mijn gouden god is weg. Ik sta niet in het zonlicht van Californië.
In plaats daarvan ben ik in het vochtige oude West Virginia, en staar ik in het verwaande gezicht van mijn aartsvijand en opperbeul zelve: Joelle.
Ze grijnst naar me alsof het gooien van een emmer water over mijn slapende hoofd het hoogtepunt van haar dag is.
„Waarom slaap je op de vloer?“ vraagt ze op haar gebruikelijke bitse toon.
„Ik weet het niet,“ bijt ik terug, terwijl ik in mijn ogen wrijf. „Waarom zoek je geen andere hobby naast het terroriseren van mij? Misschien iets wat je op je aanmelding voor de universiteit kunt zetten?“
Dit lijkt een gevoelige snaar te raken bij Joelle, want haar blik verhardt zich.
„Je hebt gisteren de eieren laten aanbranden, St. Martin. En nu is het tijd om de prijs te betalen,“ kakelt ze opgewonden.
Het duurt even voordat ik me herinner waar ze het deze keer over heeft.
Oh ja, ik heb gisteravond de eieren laten aanbranden.
Daarom ben ik op zolder opgesloten en lig ik nu kletsnat op de vloer.
Dus ik kan niet koken. Klaag me aan. Sinds ik in het roedelhuis ben komen wonen, wil de hele roedel dat ik een van de koks word.
Ik heb ze verteld dat zoiets een recept voor een ramp is, en dat is geen woordgrap. Elke keer als ik een stap in een keuken zet, eindigt er wel iemand in vlammen of in tranen. En meestal ben ik dat zelf.
Maar ik ben een mens die tussen weerwolven leeft, dus ik moet vrijwel alles doen wat ze zeggen.
Ik kreun en sta op, terwijl ik die feeks van een Joelle zo goed mogelijk negeer.
Ze stormt de kamer uit terwijl haar vlechtjes dom op en neer wippen.
Ja, ze heeft letterlijk vlechtjes. Kon ze nog meer een stereotype zijn?
Terwijl ik naar beneden loop, tref ik Jorden, mijn neef, al in de keuken aan.
„Waarom ben je nat?“ vraagt hij.
„Ik heb een leuke nieuwe wekker,“ leg ik uit. „Hij heet Joelle.“
„Oh ja,“ zegt hij, „ze is in een extra rothumeur vandaag.“
„Waarom?“
„Heb je het dan niet gehoord?“
***
Ik was de belangrijkheid van de datum van vandaag helemaal vergeten.
Ik had het weggestopt, bang voor de afwijzing.
De toelatingsbrieven voor de universiteit komen vandaag aan. Of liever gezegd, ze waren eerder vanmorgen al aangekomen, terwijl ik op zolder aan een stom slot zat te prikken.
Joelle wilde niets liever dan naar een school in het zonnige Californië gaan. Blijkbaar werd die droom gedwarsboomd door een hele reeks afwijzingsbrieven. Misschien voelde de toelatingscommissie haar vreselijke persoonlijkheid wel aan.
Ik had me in het geheim ook aangemeld bij scholen in Californië. Ik had het aan niemand verteld, en al helemaal niet aan Joelle.
Ik zou stiekem naar de brievenbus moeten glippen nadat ik mijn klusjes in de tuin had gedaan.
Ik trek een kruiwagen vol met compost door de benauwde achtertuin, en help de tuiniers met het planten van de oogst voor volgend jaar. Ik mis het zonlicht uit mijn droom.
En het staren in de ogen van mijn prachtige gouden god.
Stomme Quincy.
Ik schud mijn hoofd om die nutteloze gedachten te verdrijven.
Ik wou dat ik de kracht van een weerwolf had. Dat zou het sjouwen met deze kruiwagen over het hele roedelgebied veel sneller maken. Maar helaas, ik ben maar een mens.
Hoe een mens zoals ik in een roedelhuis met een stel weerwolven komt te wonen, vraag je je af?
Nou, het is een lang verhaal, maar de korte versie is dat mijn moeder een weerwolf is.
Ze had een dronken avond in de stad tijdens haar rebelse jaren. Ze had iets te veel plezier met een mens. Bibbidi-bobbidi-boe! Negen maanden later. Voilà! Ik!!!
Waarom ben ik dan een mens, vraag je je af? Maakt dat mij niet een halve weerwolf?
Nou, technisch gezien wel, maar ik ruik naar een mens. En ik heb geen innerlijke wolf in me om in eentje te veranderen.
In tegenstelling tot anderen kreeg ik niet de naam van mijn weerwolf in een droom ingefluisterd, wat een teken is dat de transformatie binnen een paar dagen zal plaatsvinden als je dertien of vijftien bent.
Dus word ik beschouwd als een mens.
Wie wil er trouwens een weerwolf zijn?
Wie wil er nou veranderen in een lelijk, harig... maar best wel schattig, doch woest uitziend dier en vrij rondrennen... en ouders hebben die trots op je zijn en daardoor zo veel beter behandeld worden?
Nou, ik niet. Dat moge duidelijk zijn!
Ik neem aan dat dit betekent dat ik mijn mate niet zal voelen als ik over een paar dagen achttien word.
Nou, gelukkig maar! Wie wil er nou een mate die zo bezitterig en beperkend is... maar ook zo beschermend en liefdevol, wat er ook gebeurt?
Ik heb geen mate nodig! Nee hoor. Ik wil het niet. Ik heb het niet nodig.
Mijn moeder ontmoette haar mate ongeveer een maand nadat ze mij kreeg. Ze liet me achter bij haar moeder, mijn oma, die alleen woonde nadat haar mate niet lang daarvoor was overleden.
Dus mijn oma heeft me opgevoed. Zij was de enige die van me hield. Ik woonde bij haar tot drie maanden geleden, toen ze stierf.
Ik voel mijn ogen prikken van ongewenste tranen en bijt op mijn tanden tot ze verdwijnen.
Mijn oma was alles voor me. Ik zou alles voor haar hebben gedaan.
Ik overweeg zelfs om aan de oostkust te blijven om naar de West Virginia University te gaan. Haar laatste wens was namelijk dat ik dicht bij mijn 'familie' zou blijven.
„Mens, schiet eens op!“ schreeuwt de gemeenste tuinier als ik achterblijf.
***
De tv staat aan in de woonkamer als ik eindelijk klaar ben met mijn urenlange werk.
Mijn moeder zit in het midden van de bank. Jon heeft zijn arm om haar heen. Mijn halfzusje, Caitlin Rose, zit aan de andere kant met haar hoofd op mama's schouder.
Mama's vingers spelen zachtjes met haar zachte bruine haar. Ze zijn het perfecte plaatje van een gezin. Drie paar ogen richten zich tegelijkertijd op mij als ik van achter de bank de woonkamer in loop.
Dat verdomde weerwolvengehoor!
Hebben jullie ervan genoten om de hele dag op jullie luie reet te zitten, terwijl jullie de zwakke mens lieten werken? Zoals altijd?
Ik staar naar hen, en zij staren recht terug. Ik schuifel een beetje met mijn voeten en verplaats mijn gewicht van mijn ene op mijn andere voet.
„Ik ga eh... wat eieren halen voor de lunch,“ mompel ik. Niemand zegt iets.
„Nou, oké,“ voeg ik eraan toe. Daarna loop ik ongemakkelijk de deur uit, terwijl er nog steeds drie paar ogen naar me staren.
Soms vraag ik me af hoe het is om echt het gevoel te hebben dat je ergens thuishoort. Om het gevoel te hebben dat je echt gewenst bent, en niet alleen maar getolereerd wordt.
Om zoals Caitlin Rose te zijn.
Toch ga ik daar niet te lang bij stilstaan. Ik heb best een prima leven. Ik mag echt van geluk spreken, als je het mij vraagt.
Ik kom de keuken in zonder iemand tegen te komen. Ik kijk om me heen en vind een grote plastic bak met aangebrande eieren op de grond bij de gootsteen.
Ik kreun. Ze hebben het geld om wel honderd dozen eieren te kopen, en toch laten ze me de eieren eten die ik per ongeluk heb laten aanbranden. Fijn is dat.
Ik til de bak op het aanrecht en haal de deksel eraf. De vreselijke geur verspreidt zich in de lucht. Ik staar emotieloos naar het zwarte spul in de bak. Mijn maag knort, maar dit eten is alsof je roet eet.
„Oh, kijk! Ze gaat die eieren opeten!“ roept Joelle vanuit de deuropening.
„We zouden hier foto's van moeten maken,“ valt haar bitch-kloon... sorry, ik bedoel haar beste vriendin, Kelly, haar bij.
„Nee, maak een video!“ roept een ander meisje.
Een groep van ongeveer acht tieners staat achter hen. Ze kijken allemaal vol spanning. Ze willen me dolgraag de zwartgeblakerde, aangebrande eieren zien eten. Iedereen, behalve Jorden en zijn beste vriend, Trey.
„Kom op, schrok ze naar binnen!“ schreeuwt Joelle. Ze heeft haar iPhone in de aanslag.
„Geweldig! We kunnen de foto posten, zodat iedereen het kan zien,“ zegt Dan, nog zo'n idioot uit de groep.
Ik kijk vluchtig naar Jorden en Trey. Jorden heeft zijn kaken op elkaar geklemd en zijn lippen stijf op elkaar, terwijl Trey me helemaal vermijdt aan te kijken.
Ik schep de zwartgeblakerde puree van verwoeste eieren op, en ze worden nog luidruchtiger. Ik zie hun ogen oplichten van opwinding. Stomme weerwolven! Er is blijkbaar niet genoeg entertainment in het roedelhuis. Ze zouden Netflix moeten nemen voor deze plek. Dat had mijn oma ook.
Ik richt mijn blik strak op Joelles grote voorhoofd, en mijn lippen krullen zich in een grijns.
Klets! In de roos!!! De kamer valt stil.
Joelle heeft een grote klodder eierpap midden op haar voorhoofd. De zwarte smurrie met een beetje grijze en gelige prut druipt nu langzaam langs haar gezicht naar beneden.
Dan valt het op de grond met nog een klets, waarbij de zwarte smurrie opspat. Haar vrienden deinzen achteruit.
„Hoe durf je, stomme menselijke hoer!!!! Ik ga je hier zo hard voor laten boeten!“ schreeuwt Joelle.
Ze stapt plotseling naar voren. Haar handen zijn strak tot vuisten gebald langs haar zij. Haar lichtbruine ogen flitsen en worden donkerder.
„Hé! Wat doen jullie hier, kinderen?“ snauwt de oude meneer Maddox, onze voormalige alfa.
Ze stoppen abrupt en buigen snel hun hoofd uit onderwerping. Hoewel de oude meneer Maddox niet langer onze alfa is, straalt hij nog steeds alfakracht uit.
„Wat is hier aan de hand?“ vraagt hij nog een keer. Maddox is echt oud, al ziet hij er nog steeds stoer uit.
„Wegwezen hier. Laat het arme meisje met rust,“ schreeuwt hij. Zijn woorden weerkaatsen tegen de muren.
Iets in de manier waarop Joelle me woedend aankijkt voordat ze wegsnelt met haar vrienden, waarschuwt me dat dit nog niet voorbij is.
Jorden werpt me nog een bezorgde blik toe, voordat hij door de deuropening verdwijnt.
„Gaat het wel met je, mijn lieve Quincy?“ vraagt meneer Maddox, terwijl hij zich omdraait en me bezorgd aankijkt.
„Eh... ja. Het gaat goed... bedankt.“ Ik merk dat hij nu veel dichterbij me is komen staan. Veel te dichtbij. Voordat ik een stap achteruit kan doen, legt hij zijn hand op mijn rug.
Er is iets in zijn ogen en de manier waarop hij naar me kijkt, waarvan ik de kriebels krijg.
„Arm kind toch.“ Zijn hand begint over mijn rug op en neer te wrijven. Ik krijg er de kriebels van.
„Het gaat goed. Echt, ik ben oké.“ Ik stap naar voren, in een poging om weg te komen van zijn tastende hand. Maar hij stapt ook naar voren en drukt zijn lichaam tegen het mijne. Oh, fuck! Ik bedoel, potverdorie!
Ik trek me terug, terwijl ik hem krachtig naar achteren duw. Opeens kan het me niet meer schelen of ik gestraft word voor het feit dat ik respectloos ben tegen een hooggeplaatste weerwolf.
„Ik moet er echt vandoor,“ excuseer ik me, opgelucht dat ik weg kan. „Ik heb nog zo veel klusjes te doen.“
Gelukkig laat hij me gaan.
Mijn leven is gewoon geweldig. Ik ben net Harry Fucking Potter. Die werd als vuil behandeld door de Dreuzels, totdat zijn gouden god hem kwam redden.
Dat is toch wat er in Harry Potter gebeurt, of niet soms?
***
Precies zoals ik had verwacht, ligt er een aan mij gerichte brief in de brievenbus.
Zonder er zelfs maar naar te kijken, stop ik de envelop onder mijn shirt en haast ik me naar mijn slaapkamer. Ik zorg ervoor dat ik de deur goed achter me sluit.
Als ik zie dat de afzender begint met 'University of—', zinkt de moed me in de schoenen. Ik loop naar de prullenbak om hem weg te gooien. Zoals ik al zei, oma wilde dat ik naar de WVU ging, en ik kan me niet bedenken over haar laatste wens. Toch?
Wanneer ik de prullenbak bereik, weerhoudt iets me ervan om de brief weg te gooien.
Ik draai hem om en dan trekt het retouradres mijn aandacht. Het is in Californië.
Mijn hartslag versnelt, ik trek de brief open en lees hem gretig.
Beste mevrouw St. Martin,
We zijn blij u te kunnen meedelen dat u bent toegelaten tot de herfstklas.
We kunnen niet wachten om u hier in het zonnige Californië te zien...
Het papier trilt in mijn handen terwijl ik neerkijk op de geprinte woorden.
Zoveel verschillende emoties overspoelen mijn lichaam allemaal tegelijk.
De laatste school. De school waarover ik urenlang met mijn oma had gediscussieerd, totdat ik me mocht aanmelden.
Ik moest me in het geheim aanmelden, en dat allemaal omdat iets me vertelde dat ik in Californië thuishoorde.
En ik ben aangenomen. Ik strompel terug naar mijn bed, met trillende vingers.
Ik kan niet naar Californië gaan, toch?
Het lachende, zorgeloze gezicht van mijn gouden god schiet door mijn hoofd. Hij bestaat waarschijnlijk niet eens. Hij is gewoon een verzinsel van mijn trieste, eenzame verbeelding.
Maar toch, kan ik de kans echt aan me voorbij laten gaan om te zien of hij wel echt is?
Was mijn droom een voorgevoel? Maakte dat mij paranormaal begaafd?




































