
Wezens van de Duisternis Serie
Auteur
Lezers
1,4M
Hoofdstukken
37
Hoofdstuk 1
Er werd gefluisterd over enorme wolven in het bos achter haar huis, wezens zo groot als paarden, en zelfs sneller. Ze had hun voetafdrukken een paar keer gezien en de enorme omvang van hun poten opgemerkt, maar ze had de beesten zelf nog nooit gezien.
Ze leken wel spoken, onzichtbaar, maar hun gehuil weergalmde door de nacht. Jagers trokken er in groepen op uit om ze te zoeken, maar kwamen altijd met lege handen terug. De wolven hielden zich schuil, bijna alsof ze wisten dat er op ze werd gejaagd.
Haar neefje wist waar ze naartoe was verhuisd en had haar enthousiast gevraagd om een foto van een wolf voor hem te maken. Een echte, levende wolf. Hij was gefascineerd en geloofde stellig dat ze daar rondliepen. Omdat hij haar favoriete kleine persoontje in de wereld was, had ze hem een belofte gedaan.
Zijn moeder, die het al druk had met vijf andere kinderen, stelde voor om er gewoon een van het internet te printen, maar dat kon ze niet doen. Ze had het kleine mannetje een belofte gedaan, en beloofd is beloofd.
Zodra ze even tijd had, hing ze haar camera over haar schouder en ging ze wandelen. Op die manier hield ze zich aan haar belofte en was ze naar ze op zoek.
Ze merkte dat hij teleurgesteld was dat ze er nog geen had gevonden, maar de glimlach op zijn gezicht als ze over haar nieuwste zoektocht vertelde, was te stralend om te beschrijven.
Het was alweer even geleden dat ze op wolvenjacht was geweest; ze wist dat het tijd werd. Toen hij er de laatste keer dat ze hem zag naar vroeg, kon ze het zich niet eens herinneren. Ze keek hem alleen maar met een lege blik aan, wat haar een schuldgevoel bezorgde.
Dus hier liep ze dan op vrijdagavond, met haar camera sjokkend door het dichte bos. Meestal liep ze dertig minuten rechtdoor om vervolgens om te draaien als ze weer terug wilde. Het was een routine die ze al maandenlang volgde.
Behalve deze keer controleerde ze het weerbericht niet, iets wat ze normaal wel altijd deed. Deze keer pakte ze haar tas in — door haar zus lachend de 'tas van overdreven voorzichtigheid' genoemd — en vertrok gewoon, waardoor ze midden in een sneeuwstorm belandde.
Ze had het niet kunnen voorspellen. Het was zeker fris toen ze vertrok, maar na een kwartier besefte ze pas hoe erg de temperatuur was gedaald.
Met de belofte aan haar neefje in haar achterhoofd, was ze vastbesloten om nog een paar minuten door te lopen, maar de sneeuw viel als een dikke deken naar beneden en binnen de kortste keren was ze de weg kwijt.
Ze probeerde om te draaien, maar na meer dan een uur lopen, besefte ze dat ze de verkeerde kant op was gegaan. De angst sloeg toe en ze kreeg een beklemmend gevoel op haar borst.
Ze overwoog om te stoppen en te wachten, en probeerde zelfs haar telefoon, maar er was geen bereik. Wie wist hoe lang het nog zou blijven sneeuwen?
Maar toen de zon begon onder te gaan, trok ze al haar keuzes in twijfel. Haar schoenen waren doorweekt en haar voeten deden pijn van de kou. Haar benen waren stijf en zwaar van het ploeteren door de sneeuw en ze had er spijt van dat ze überhaupt van huis was gegaan.
Na uren lopen zag ze verderop een klein huisje, misschien wel een jachthut. Ze had gedacht dat ze in de sneeuw zou neervallen, maar de aanblik van de hut gaf haar een klein beetje nieuwe kracht.
Het zag er spookachtig en oud uit, maar ze was uitgeput en het kon haar werkelijk niets schelen. Pas toen ze op de veranda voor de voordeur stond, viel het haar op dat de deur op een kiertje stond.
Ze slikte de brok in haar keel weg en een rilling liep door haar heen. Dit keer was het van angst in plaats van de kou.
Een snelle blik achter zich leerde haar dat de sneeuw met bakken uit de lucht viel. De wind gierde, blies de sneeuw in haar gezicht en waaide haar capuchon naar achteren.
Ze knikte, nam een besluit, en duwde langzaam de deur open.
Complete duisternis kwam haar tegemoet, maar zelfs in het donker kon ze de schaduw zien van iemand die in het midden van de kamer lag.
Ze slikte nog een keer angstig en stapte naar binnen, de deur sluitend om de snijdende kou buiten te houden. Hij viel met een klap dicht en ze werd omhuld door duisternis, met alleen het gefluit van de wind als gezelschap.
Ze liet haar rugzak op de grond vallen en knielde om haar zaklamp te zoeken. Ze voelde wat rond in haar overvolle tas voordat haar hand zich om de dikke zaklamp sloot.
Hij sprong aan nadat ze de knop indrukte en er een paar goede tikken op gaf. De kamer waarin ze stond was groot en leeg, op de enorme gestalte in het midden na. Helemaal achterin de kamer bevond zich iets wat op een keuken leek en aan de rechterkant was een trap.
„Hallo,“ fluisterde ze naar de gestalte, te bang om de zaklamp erop te schijnen. „Gaat het wel goed met u?“ riep ze.
Na nog een paar minuten stilte, liep ze er langzaam naartoe.
Het was een man. Een naakte man. Hij was groot en buiten westen.
Ze probeerde haar blik niet over zijn lichaam te laten dwalen terwijl ze naast hem knielde. Hij was zongebruind, wat vreemd was voor iemand die hier woonde, aangezien de zon nooit scheen. Zijn gitzwarte haar lag verspreid over de vloer en de metaalachtige geur van bloed vulde haar neus.
Ze liet haar blik verder over zijn lichaam glijden en vond de oorzaak van de geur. Enorme sneden strekten zich uit over zijn borst, waaruit bloed sijpelde, en er had zich een plas om hem heen gevormd.
Paniek sloeg toe en haar ogen werden groot bij deze aanblik. Dit is waarvoor ze haar tas had ingepakt, dus waarom kwam ze niet in actie? Ze stond daar maar gewoon, leek wel bevroren in de tijd, terwijl ze zag hoe zijn wonden bloedden en zijn borstkas veel te traag op en neer ging.
Toen trok het weer weg. Ze zette haar zaklamp rechtop neer zodat het licht de hele kamer vulde, rende naar haar rugzak en sleepte hem terug naar zijn lichaam. Ze had geen professionele medische opleiding, alleen een paar lessen over veiligheid in de wildernis, reanimatie en basis-EHBO.
Ze gooide de inhoud van haar tas op de grond, in plaats van erdoorheen te rommelen, en begon haar spullen uit te zoeken. Als eerste pakte ze haar zak met steriele doeken, die ze op zijn wonden drukte en een paar minuten stevig aanduwde om het bloeden te stoppen.
Toen ze haar handen terugtrok nadat het bloeden was gestopt, kon ze de schade overzien. Ze waren diep, liepen bijna tot op het bot, en ze kon een groot deel van zijn spieren zien.
Een koude rilling liep door haar heen.
Ze smeerde er snel antibacteriële zalf op en verbond zijn wonden. Nu hij redelijk goed verzorgd was, moest ze aan zichzelf denken. Ze was tot op het bot verkleumd en haar kleding was doorweekt.
Links van de open haard lag een klein stapeltje brandhout, en ze wist wel ongeveer hoe ze een vuur moest maken. Binnen een paar minuten had ze een klein vuurtje branden.
Hoewel ze het liefst als een kat languit voor het vuur wilde gaan liggen, werd ze herinnerd aan de man die uitgestrekt op de vloer achter haar lag. Hij had koud aangevoeld, waarschijnlijk door bloedverlies.
Ze trok haar natte kleren uit en legde ze neer om te drogen. Zo naakt als de dag waarop ze werd geboren, sleepte ze de man naar het vuur om op te warmen, en daarna ging ze languit naast hem liggen. Gewoon twee vreemden, compleet naakt, die dezelfde ruimte deelden.

















































