
Wilde Wilde Heks Boek 1: Wilde Wilde Heks
Auteur
Lezers
133K
Hoofdstukken
30
Hoofdstuk 1
ADDIE
Adela Baldovino was al zenuwachtig toen de eerste tekenen van onrust begonnen.
Ze had dit deel van haar treinreis doorgebracht tegenover een dame en een oudere heer. Zij waren net als zij op weg naar Billings, in het Montana-territorium.
Alleen de woorden „Montana-territorium“ deden Addie al twijfelen aan haar verstand, dat ze het treinkaartje van Papa had aangenomen.
Het riep nare beelden van geweld op. Meneer en mevrouw Brennan, die tegenover haar op de rode pluche stoelen zaten, stelden haar niet echt gerust. Ze vertelden dat Fort Fred Steele gesloten was.
„En zij waren juist degenen die de treinen beschermden tegen wilden, weet u,“ zei mevrouw Brennan. „Tenminste op dit traject.“
„Dat is nog niets,“ zei meneer Brennan. Hij stopte zijn pijp op een manier die Addie aan Papa deed denken. „Heeft u gehoord over het bloedbad in Rock Springs? Een stel mijnwerkers draaide he-le-maal door.“
„Ach hemel,“ jammerde mevrouw Brennan.
„Neem me niet kwalijk, mijn liefste, maar het is de bittere waarheid. Ze hebben een heel aantal van die arme Chinezen afgeslacht die daar in de mijn werkten,“ zei meneer Brennan, terwijl hij veelbetekenend een opgevouwen krant omhoog hield.
Nou, door die doorgedraaide mijnwerkers en het gesloten fort zat Addie op hete kolen terwijl de trein verder ratelde. Maar je kunt niet eeuwig op hete kolen blijven zitten. Het was slopend.
Uiteindelijk werd ze in slaap gesust door het eentonige landschap. Er waren geen bomen, alleen maar geel en bruin gras, en haar eigen vermoeide weerspiegeling in het raam. Gek genoeg hielp de angst haar juist om in te dommelen.
Allerlei beelden schoten door haar hoofd. Zorgen.
Billings was zo ver van New York. Zou ze daar aarden? Zou ze werk vinden als onderwijzeres?
Ze probeerde zich haar leven als lerares in Billings voor te stellen en zag haar angsten voor zich. Het leken wel scènes uit de goedkope stuiversromans die ze van haar nichtjes had gepikt.
Schurken die haar lastigvielen. Gevallen vrouwen die vanaf balkons riepen.
Als men in Billings niet vriendelijk was voor ongehuwde jonge vrouwen, wat ze stiekem wel vreesde, moest ze dan als jongen een nieuw leven beginnen?
En wat zou ze moeten doen als ze de mannenkleren aantrok die diep in haar koffer zaten? Wat voor werk zou ze vinden? Hoe zou ze zich redden als er na een tijdje geen baard begon te groeien?
Het geluid van gebonk maakte haar wakker. Ze kon het geluid niet plaatsen, maar de verwilderde blikken van de andere reizigers maakten haar klaarwakker.
„Wat in hemelsnaam?“ bracht mevrouw Brennan zwakjes uit.
Meneer Brennan keek zwaar bezorgd. „Dat klinkt als geweerschoten, ben ik bang.“
„Oh, nee,“ zei mevrouw Brennan.
Er werd gemompeld in de treincoupé. Addie ging op het puntje van haar stoel zitten en rekte zich uit om rond te kijken, maar er was nog niets te zien.
Toen ging de deur van de coupé open en kwam er een man binnenlopen.
Hij droeg donkere kleding en een zwarte cowboyhoed. Hij was lang en gebruind, en had gitzwart golvend haar. Hij droeg een zwarte doek voor zijn gezicht.
Addie's hart stond stil.
Haar handen grepen haar smalle rok vast, en ze frommelde de groen-wit gestreepte stof in haar vuisten in elkaar. Ze dacht aan oma's kleine boekje en het kleine tasje dat ze zorgvuldig in haar bagage had weggestopt.
Als ze naar haar koffer greep, zou de man dat dan merken? Zou ze tijd hebben om het boekje en het tasje te pakken?
En als ze die durfde te gebruiken, wat zou er dan gebeuren?
Het was te veel om over na te denken, na alles wat er gebeurd was waardoor ze hier terecht was gekomen. Het lag allemaal nog te vers in het geheugen.
De deur ging weer open en nog twee bandieten voegden zich bij de eerste. Alle drie droegen ze een doek voor hun gezicht: een zwarte, een blauwe en een rode. Ze begonnen door het gangpad te lopen.
Ze hadden geweren vast, zag Addie tot haar afgrijzen.
De passagiers grabbelden haastig naar hun spullen. Ze lieten horloges en sieraden in de zak vallen die een van de mannen met een zwarte doek vasthield. Daarna ging de deur open en kwamen er nog twee bij.
Addie dacht dat haar laatste uur geslagen had. Wat zouden ze van haar afpakken? Ze had geen gouden horloge, noch luxe juwelen.
Alsof hij haar vraag beantwoordde, begon de bandiet met de rode doek, die als tweede was binnengekomen, een jonge vrouw in een gele jurk verderop lastig te vallen.
Ondertussen kwam de eerste man, helemaal in het zwart, dichterbij. Hij bewoog als de panter in de dierentuin van Brooklyn.
Ze had die panter altijd al bewonderd, en vond het heel zielig voor hem dat hij zo heen en weer ijsbeerde in zijn kooi. Maar nu vond ze die vergelijking behoorlijk angstaanjagend.
Haar strakke lijfje belemmerde haar ademhaling, en ze begon naar adem te happen. Deze man was een roofdier, en hij was bijna bij hen.
Hij stapte tussen haar en de Brennans in, en keek op hen neer met donkere, ijskoude ogen en hangende oogleden. Hij had zwarte wimpers en borstelige wenkbrauwen.
Zijn vermoeide ogen ontmoetten de hare, en toen knapte er iets in haar.
Addie sprong op, trok haar arm naar achteren en sloeg hem recht in het gezicht, waarbij ze de doek wegtrok.
Ze zag de rest van zijn gezicht: een lange neus en een scherpe kaaklijn met een lichte stoppelbaard.
De bandiet greep haar pols vast en rukte haar arm ruw omhoog.
„Dat, jongedame, was een grote vergissing,“ zei hij, met een duidelijk Spaans accent.
„Kijk eens hier, meneer,“ zei meneer Brennan. Addie voelde een golf van waardering voor de man. „Laat haar met rust. Ze is gewoon over haar toeren.“
De bandiet wierp meneer Brennan een koude blik vol minachting toe. „Houd je mond,“ zei hij.
Hij draaide zich weer naar Addie om en trok een beetje aan haar arm om haar beter te bekijken. „Je hoort niet bij hen. Reis je alleen? Dat is niet veilig voor een jongedame zoals jij.“
Addie's hoofd was een complete chaos. Ze kon geen woord uitbrengen.
„Laat me los!“ flapte ze er eindelijk uit, en tot haar grote verbazing deed hij dat.
Ze viel pardoes terug op haar stoel. Alleen de dikke stof van haar jurk redde haar van een pijnlijk achterwerk.
„Kom op,“ schreeuwde de bandiet naar de rest van zijn bende, terwijl hij de zwarte doek weer voor zijn gezicht trok.
Addie sloeg haar handen voor haar mond toen de vijf mannen door de treincoupé liepen en doorliepen naar de volgende, de restauratiewagen. Hoeveel arme zielen zaten daar wel niet te eten, vroeg Addie zich af.
De nachtmerrie was nog niet voorbij. Addie wreef over haar pols, precies op de plek waar de bandiet haar had vastgegrepen.
Even later klonk opnieuw het geluid van geweerschoten.
„Heere ontferm u!“ riep mevrouw Brennan uit.
Toen krijsten de remmen van de trein.
„Stoppen we?“ vroeg meneer Brennan. „Waarom stoppen we?“
„Die overvallers zullen de trein wel willen verlaten, toch?“ antwoordde een Ierse man die aan de andere kant van het gangpad zat.
„Nou, zij zijn niet de enigen,“ mompelde Addie. Ze had er meer dan genoeg van.
Ze stond op, maar de trein schokte en ze plofte weer terug op haar stoel. Haar dikke rok ving de val weer op.
„Wat bent u aan het doen?“ eiste mevrouw Brennan te weten.
„Ik stap uit. Ik houd dit niet langer vol,“ zei Addie.
Ze wachtte tot de trein helemaal stilstond, met haar handen strak in haar schoot gebald. Haar knokkels zagen er wit van.
„Dat kunt u toch niet menen,“ zei mevrouw Brennan.
„Luister eens, juffrouw,“ zei meneer Brennan. „U bent behoorlijk overstuur. U heeft iedereen al in gevaar gebracht met die uithaal naar die overvaller. U blijft precies daar zitten, hoort u mij? Ik sta niet toe dat u weggaat. Begrepen? Ik sta het gewoon niet toe.“
Addie's waardering voor meneer Brennan verdween als sneeuw voor de zon. Ze gaf geen antwoord.
Het was beter om hem in de waan te laten dat ze naar hem luisterde, terwijl ze in werkelijkheid alleen maar wachtte tot de trein stilstond. Ze wilde de treinrovers een voorsprong geven, maar daarna zou ze weggaan. Daar was geen speld tussen te krijgen.
Papa zei altijd al dat ze koppig was. Hij zei zelfs dat ze voor niemand een geschikte echtgenote zou zijn, en misschien had hij daar wel gelijk in.
Maar daar kon ze zich nu niet druk om maken. Ze móést van deze trein af, anders stond ze niet in voor wat ze zou doen.
Deze hele reis was één grote vergissing geweest. Al wist ze niet wat ze dan wel had moeten doen.
Als ze niet de trein had gepakt, was het wel een schip geweest, en een treinkaartje was veel goedkoper. Aan de andere kant was ze dan nu misschien wel op weg geweest naar familie in Italië. Je hoorde tenminste nooit dat Indianen of bandieten schepen aanvielen.
Uiteindelijk konden de Brennans haar niet tegenhouden. Al snel stond Addie op de vaste grond. Zover het oog reikte zag ze kniehoog, geel gras dat bewoog in de ijskoude noordenwind.
Even zonk de moed haar in de schoenen, totdat ze een sheriff op haar af zag rijden, gevolgd door twee hulpsheriffs. Ze wist dat hij de sheriff was omdat de ster op zijn borst schitterde in de zon.
Zijn bruine paard drafte recht op haar af, terwijl de hulpsheriffs doorreden naar de voorkant van de trein.
De sheriff nam zijn zandkleurige cowboyhoed af, en zijn blauwe ogen keken in de groenbruine ogen van Addie. Hij was een knappe man met blond haar en een gladgeschoren gezicht.
Hij droeg een dikke hertenleren jas met daaroverheen een wapengordel. Zijn outfit zag eruit alsof alles wat er in de boeken over het Wilde Westen stond klopte, maar zijn kalme uitstraling vormde een groot contrast. Addie kon er geen hoogte van krijgen.
„Goedendag, juffrouw,“ zei hij. „Ik hoorde dat er een aanval is geweest op deze trein. Bent u gewond?“
Addie schudde haar hoofd en onderdrukte een rilling toen de wind weer opstak. Een pluk haar ontsnapte onder haar hoed vandaan, maar ze deed geen moeite om het terug te stoppen.
Ze droeg handschoenen en klemde haar reismantel stevig om zich heen. Ze wilde de mantel niet loslaten om haar haar te fatsoeneren, hoe gênant het ook was om er zo slordig uit te zien.
„Ik kon het gewoon niet opbrengen om in de trein te blijven,“ zei ze tegen de sheriff.
„U bent nu veilig, juffrouw,“ zei de sheriff. „De overvallers zijn allang verdwenen. Maar ik ben bang dat het nog wel even duurt voordat de trein weer gaat rijden. Ze... Nou ja, u zult een tijdje moeten wachten op een nieuwe machinist en wat ander personeel.“
Addie huiverde. Ze wilde niet vragen wat er met de machinist en de rest gebeurd was, maar ze kon de geweerschoten nog bijna horen en kon het wel raden.
„U kunt maar beter teruggaan naar uw stoel, juffrouw, anders vat u nog kou,“ zei hij.
Addie schonk hem een snelle glimlach, maar ze moest moeite doen om te voorkomen dat haar tanden gingen klapperen.
„Dat kan ik gewoon niet,“ wist ze uit te brengen. „Ik houd het niet vol. Ik hoop dat ik nooit van mijn leven meer in een trein hoef te zitten.“
„Wat is uw bestemming?“ vroeg hij.
„Billings,“ zei ze.
Hij schudde zijn hoofd. Hij leunde op zijn zadel op een manier die verried dat hij al jaren te paard zat.
„Zonder trein komt u niet in Billings, juffrouw.“
Addie vertrok haar gezicht en voelde de tranen in haar ogen prikken. Ze knipperde met haar ogen en wendde haar blik af.
„Wat heeft u in Billings te zoeken?“ vroeg de sheriff.
Addie slikte moeizaam de brok in haar keel weg. Na een kort moment antwoordde ze: „Niet veel. Een kans, neem ik aan. Ik hoopte werk te vinden als lerares. Mijn Papa kent daar een zakenrelatie. Zijn familie zou een kamer aan mij verhuren.“
De sheriff dacht hier even over na en bewoog zijn mond alsof hij op zijn wangen zoog.
„Tja,“ zei hij uiteindelijk. „Nu u het zegt, we zoeken eigenlijk nog een schooljuffrouw in Copperwood.“
„Copperwood?“ vroeg ze.
„Dat is mijn stad,“ zei de sheriff. „De dichtstbijzijnde stad hier, denk ik zo, al is het nog wel een eindje rijden. Als u interesse heeft, kan ik u wel meenemen als ik hier klaar ben. Ik meen dat de school is voorzien van een woonruimte op de bovenverdieping.“
„Oh,“ zei Addie, overweldigd door die mogelijkheid. Een baan als lerares, een plek om te wonen en nooit meer met die vreselijke trein hoeven reizen? „Ontzettend graag, sheriff...“
„Leland,“ zei hij. „Ik ben sheriff Leland. Aangenaam kennis te maken, juffrouw...?“
„Adela Baldovino,“ zei ze. Ze vroeg zich af of ze hem de hand moest schudden. Wat voor etiquette gold er nadat je trein was beroofd en je was gestrand?
Sheriff Leland leek er niet mee bezig te zijn. Hij ging weer rechtop zitten en trok aan de teugels om het paard te keren.
„Goed dan, blijf hier wachten. Ik kom straks weer bij u terug.“
En dat is hoe Addie de nieuwe schooljuffrouw van Copperwood werd.
Maar wat het kleine stadje niet wist, was dat ze een groot geheim met zich meebracht. En wat Addie zelf niet wist, was dat dit geheim nog een heel groot probleem zou worden.













































