
Demonenlist Boek 2: Droomvechter
Auteur
Elithra Rae
Lezers
74,7K
Hoofdstukken
20
Hoofdstuk 1: Droom
Boek 2: Droomvechter
SARAH
Mijn lichaam brandde. Een schreeuw ontsnapte uit het diepste van mijn wezen terwijl het gif door mijn lijf snelde.
Ik kronkelde, vocht en schreeuwde opnieuw toen mijn hoofd naar achteren werd getrokken en er hoektanden in mijn keel zonken.
Meer van het gif stroomde mijn lichaam in terwijl mijn bloed langzaam uit me werd gezogen. Het dwong mijn lichaam tot een orgasme.
Ik had geen eigen wil meer en mijn hersenen werkten niet. Het enige wat ik voelde, was de vampier die uit mijn nek dronk, terwijl hij zichzelf steeds dieper bij me naar binnen neukte, tot het punt waarop ik dacht dat ik zou breken.
Ik schrok wakker door een schreeuw die over mijn lippen kwam. De nachtmerrie lag nog vers in mijn geheugen. Hoeveel hiervan een nachtmerrie was en geen voorgevoel, moest nog blijken.
Ik ging rechtop in bed zitten. Ik streek mijn lange haar uit mijn gezicht en keek de kamer rond.
Het beddengoed had een diepe, rijke blauwe kleur. De muren waren lichter hemelsblauw, en het tapijt in mijn eenvoudige kamer was zwart.
Ik zag streepjes licht langs de randen van de verduisterende gordijnen. Het was precies genoeg om me te laten weten dat de zon ook aan het opkomen was.
Ik liet mijn kin op mijn knieën rusten terwijl ik ze naar mijn borst trok. Ik sloeg mijn armen eromheen. „Weer een heerlijk nachtje geslapen.“
Het was twee maanden geleden dat ik Seth had ontmoet en bedrogen. De meeste mensen kennen hem als Set, de Egyptische god van chaos en tweedracht.
Deze actie had een klein deel van een vloek opgeheven. Die vloek had ik gekregen van letterlijk een van de oudst bekende godinnen in de kosmos. Had ik al verteld dat zij ook de moeder van Set was?
Het probleem was dat Set twee van de zeventien jagers gevangen hield. Ik was vervloekt om hen te vinden. Alleen zo kon Moeder wraak nemen op degenen die haar heksen hadden gedood.
Zijn moeder was de godin van mijn heksenbloedlijn. Wij noemden haar ook Moeder.
Wil er nou echt iemand vechten tegen de eeuwenoude god van chaos en verwoesting, die zulke goede connecties heeft? Nee, niet echt.
Dus ondanks mijn overwinning, voelde het nog steeds alsof de goden en godinnen met mijn leven speelden. Set wilde de levens waar hij de baas over was, ruilen voor mij. Hij hoopte dat ik hem kinderen zou geven.
Ik staarde naar het licht langs de gordijnen. Dit was mijn leven nu. Ik verborg delen van mezelf en mijn verhaal voor de mensen die van me hielden.
Ik wist ook dat dit mijn eigen keuze was. Ik kon ze alles vertellen, en ik wist dat ik dat eigenlijk moest doen. Maar ik was te bang voor wat er zou gebeuren als ik dat deed.
Ik was als de dood dat de man aan wie mijn ziel nu verbonden was, er genoeg van zou krijgen en me zou verlaten.
Hoe kon Leo dingen van mij accepteren, als ik er niet eens aan kon denken zonder het gevoel te hebben dat ik opnieuw kapotging?
Hoe zou hij het verdragen om naar me te kijken, als ik niet eens naar mezelf kon kijken?
Hoe kon ik bij hem blijven als hij wel de delen van mij kon accepteren die ik zelf niet kon accepteren?
Al die vragen spookten door mijn hoofd. Ik verdiende de liefde en de acceptatie die hij me gaf niet. De veilige plek die hij voor me creëerde, was bijna verstikkend.
Ik duwde Leo van me af. Ik wist het, en hij wist het. Hij wist alleen niet waarom, en ik kon het hem onmogelijk vertellen. Ik voelde me vies, onrein en de liefde niet waard.
Dat hij me toch liefde bleef geven, was iets waarnaar ik snakte, maar wat ik tegelijkertijd haatte.
Ik voelde een enkele traan over mijn wang rollen. De depressie, verwarring, angst en zelfhaat vraten me vanbinnen op.
Ik wist dat ik met iemand moest praten. Ik wist dat ik hulp nodig had. Maar dat betekende ook dat ik aan een ander moest toegeven dat er vanbinnen iets mis met me was.
Ik wilde er niets van toegeven. Ik wilde het niet onder ogen zien. Erover praten maakte het echter. Ik kon het niet echter laten worden.
Ik hield mijn benen steviger vast. Er vielen stilletjes meer tranen terwijl ik naar het zonlicht staarde. Ik weigerde om op te staan, het gordijn open te trekken en in het licht te stappen.
Ik keek hoe het licht langs de randen van de gordijnen verschoof naarmate de tijd verstreek. Hoe lang? Ik had geen idee, en het kon me ook niets schelen.
Uiteindelijk dwong het gevoel van Leo's geest die de mijne zocht me uit bed. Ik haastte me naar mijn badkamer. Ik liet hem niets meer weten dan dat ik op was, wakker was, en onder de douche stond.
Hij drong niet verder aan. Ik voelde dat hij zijn gevoelens verborg na deze kleine afwijzing. Dit soort afwijzingen waren een vaste gewoonte van mij geworden.
Soms trok hij zich een beetje terug uit de band tussen ons. Dan liet hij me er bijna alleen in achter. Maar niet helemaal. Na de laatste keer dat dit was gebeurd, weigerde hij zich nog volledig af te sluiten. En wie kon het hem kwalijk nemen?
Ik nam een snelle douche. Het was net lang genoeg om mijn gezicht flink schoon te schrobben en te proberen te verbergen dat ik had gehuild.
Toen ik eruit stapte, trok ik een pijnlijk gezicht bij het kijken in de spiegel. Ik zag eruit als een halfdode zombie.
Ik zou de schuld geven aan weer een slapeloze nacht. Ik had geen ander excuus dat ik kon gebruiken, en het was nog waar ook.
Ik trok simpel, bijpassend ondergoed, een spijkerbroek en een zwart T-shirt aan. Daarna liep ik naar de keuken en zag dat de andere droomwandelaars allemaal rond het kookeiland zaten.
Iedereen was aan het kletsen boven een groot ontbijtbuffet. Het eten stond over het hele aanrecht verspreid.
Het was een nieuwe gewoonte van ons kleine groepje. Ze waren namelijk praktisch bij ons ingetrokken in Leo's huis.
Ze wilden niet terug naar Pai's huis, en wie kon het ze kwalijk nemen?
Ze waren als huisdieren in een dierentuin geweest voor de demonenheer. Nu ze een beetje van de vrijheid en de buitenwereld hadden geproefd, wilden ze alles weten.
Bovendien hadden we allemaal een vloek die ons binnen een jaar kon doden. Wie was ik dan om 'nee' tegen hen te zeggen?
Iedereen keek mijn kant op, maar niemand zei iets. Leo draaide zich ook om nadat hij nog een flesje water uit de koelkast had gepakt, om naar me te kijken.
De glimlach die Leo me gaf, deed me vanbinnen trillen. Ik verdiende die glimlach en de liefde in zijn ogen niet. Hij liep naar me toe en sloeg zijn armen om me heen.
Ik aarzelde.
Hij merkte het, maar in plaats van afstand te nemen, knuffelde hij me steviger. In mijn achterhoofd hoorde ik zijn stem. „Ik hou van je, mijn kleine heks.“
Het was bijna genoeg om me te laten huilen. Ik verborg mijn gezicht in zijn borst en snoof de geur op van de demon die ik niet verdiende.
Toen ik eindelijk mijn emoties onder controle had en opkeek, was de kamer stilletjes leeggelopen. Alleen wij tweeën waren nog over.
Zijn vingers streken langs mijn kaaklijn voordat hij mijn gezicht optilde. Zijn prachtige ogen keken in de mijne. Ik zag donkere schaduwen passeren en een vleugje bezorgdheid in zijn blik.
Hij kuste mijn voorhoofd. „Ik zal hier altijd zijn.“
Door die woorden voelde ik me veilig, gewenst en geliefd, maar een deel van mij haatte ze intens.
Het enige waardoor ik mijn gezichtsuitdrukking niet hoefde te verbergen, was dat hij zijn kin op mijn hoofd legde en me gewoon vasthield.
Ik ging dit verpesten, en ik ging hem pijn doen. Hij verdiende zoveel beter dan deze verneukte persoon waar hij aan vastzat. Ik moest alleen nog bedenken hoe ik hem vrij kon laten.









































