
Geheime Wereld van Magie Boek 1: Het Wonderkind
Auteur
Lezers
397K
Hoofdstukken
79
Hoofdstuk 1
IRIS
Blijf gewoon in leven... blijf lopen... je moet wel.
Zij zouden dit willen...
De bosgrond onder mij leek me wel te haten.
Elke stap die ik zette, was zwaarder dan de vorige.
Ik was zo vaak gestruikeld en gevallen, dat ik mijn eigen handen niet eens meer kon voelen.
Elke klap liet me huilen en dwong me om nog sneller te rennen.
Iets maakte jacht op me — de bosdieren verstijfden, hun oren trillend naar de schaduwen gericht.
Ik voelde hoe het zocht... als vingers die door de bladeren gleden.
Ik drukte mijn handpalmen tegen mijn ribben, als bewijs dat ik niet al was opgelost.
Maar ik was alleen.
Elke keer als ik aan mijn grootouders dacht, brak mijn hart in duizend stukken.
Nu kon ik niet eens meer huilen.
Wat was er in hemelsnaam aan de hand? Was ik gek geworden?
Misschien was dit slechts de zoveelste nachtmerrie en zou ik elk moment happend naar adem wakker worden.
Maar de pijn die bij elke stap opvlamde, vertelde me iets anders.
Geen enkele droom brandde ooit zo.
Ik was al heel lang op de vlucht.
De uitputting maakte het alleen maar moeilijker om te lopen, want rennen lukte me al een tijdje niet meer.
Elke ademhaling was zwaar, mijn longen brandden, happend naar adem.
En mijn lichaam voelde zo vreemd aan, als een lege huls die door de nacht dwaalde.
Blijf gewoon lopen, ze zijn tenslotte dood door jouw schuld!
Het bos siste.
Ik draaide me abrupt om.
Mijn ogen focusten zich op de omgeving... luisterend naar geluiden.
Ik zag alleen maar duisternis, en voor de eerste keer in mijn leven was ik blij om erdoor te worden opgeslokt.
Er was niemand achter me... niemand volgde mij.
Ik was urenlang gevlucht zonder een echte pauze te nemen.
Nog steeds had ik de envelop in mijn hand die mijn oma me een paar uur geleden had gegeven, toen ze me naar de deur duwde.
„Ren, Iris... Ren zo hard als je kan. Alles wat je moet weten staat in deze brief... En kijk niet achterom. Als je veilig bent, maak je de brief open en lees je hem. Doe wat erin staat... We houden van je,“ riep oma huilend.
Ik draaide me om naar opa, die vriendelijk glimlachend knikte, vlak voordat zijn ogen een paarse gloed kregen.
Zijn violette gloed versteende me.
Dit zachte licht gaf hem iets magisch; hij was niet langer meer gewoon mijn vertrouwde opa.
Een wezen uit het hiernamaals.
De kleur glinsterde als de laatste zweem van een zonsondergang weerspiegeld in zijn ogen, warm en toch mysterieus.
Zijn hele wezen leek te transformeren, en zijn gelaatstrekken leken nobeler, waardiger.
Het was alsof hij plotseling de wijsheid en gratie had aangenomen van een wezen dat tussen werelden wandelt.
Maar ondanks deze vreemde schoonheid bleef de warmte in zijn blik, deze stille bezorgdheid alleen voor mij.
Zijn violette ogen bevatten onuitgesproken verhalen... over vergeten werelden, door sterren gefluisterde geheimen, en een schild dat ik nog nooit had gezien.
Het licht verzamelde zich in zijn ogen — een dageraad verzegeld in amethist.
Deze blik was tijdloos, alsof hij eeuwen had overleefd en toch elk detail van de wereld bewaarde met een kinderlijke nieuwsgierigheid.
Het was een blik die me zowel nederig als veilig liet voelen... een kracht in die ogen die niet beval, maar veeleer beschermde.
Ik was verrast en bang, en staarde met grote ogen naar mijn opa.
Maar oma duwde me door de deur en begon wat woorden te mompelen.
Geen onbekende woorden. Onmenselijk.
Ik voelde warmte om mijn lichaam en zag mist die me omhelsde.
Voor een vluchtig moment werd mijn lichaam gewichtloos, zwevend als mist, voordat de warmte en lichtheid oplosten in het niets.
Toen ik besefte dat ik niet langer in mijn ouderlijk huis was, maar ergens midden in het bos, hapte ik naar adem.
Was dit een droom?
Ik begon te rennen en herinnerde me oma's laatste woorden vlak voordat ze stierf, terwijl ze samen met mijn opa vocht tegen hem...
De man over wie ik al droomde sinds ik een klein meisje was.
Ze bleven allebei achter om me in leven te houden, en gaven me een kans om weg te rennen en mezelf te redden.
Heb ik ze echt zien sterven?
Gewoon blijven lopen... Oma en Opa zouden dit willen.
Ik was moe, hongerig en bang.
De regen doorweekte mijn kleren, en mijn verwarde haar droeg nog steeds het vuil en de bladeren van de wanhopige ontsnapping van gisteravond door het bos.
Ik rende weg, als een lafaard, huilend en bang.
Maar oma dwong me om te vertrekken... ze stond erop dat ik de brief meenam en wegrende.
Ik had moeten blijven... zelfs als het betekende dat ik zou sterven. Ik was het hen verplicht!
Maar dat was onmogelijk.
Na urenlang weglopen, bevond ik me op onbekend terrein.
Dat is toch goed, of niet?
Dat betekende dat ik ver genoeg was ontsnapt om te kunnen rusten. Tenminste voor even.
Voor het eerst sinds lange tijd leek ik een woonwijk tegen te komen.
Ik vond een verstopplek in een pakhuis ergens ver weg van mensen.
Ik moest een telefoon vinden — de politie zou inmiddels vast al naar me op zoek zijn. Maar hoe in hemelsnaam ging ik ze dit allemaal uitleggen?
Het gebouw stond daar als een vergeten kolos, zijn ramen verblind door stof en duisternis.
Toen ik de voordeur open duwde, piepte deze als een gesmoorde kreet.
Binnen was de lucht dik van de mufheid en de zoete geur van vergane spullen.
Planken, scheef en door wormen aangevreten, stonden opgesteld in eindeloze gangpaden, gevuld met dingen die niemand meer nodig had.
Kapotte poppen met starende glazen ogen, vervaagde kleren die als spookachtige omhulsels aan de rekken hingen.
Ergens druppelde water, een trage, onregelmatige hartslag.
Ik dacht dat ik voetstappen hoorde verdwalen tussen de gangpaden, maar toen ik me omdraaide, was er alleen stilte en het gevoel dat ik in de gaten werd gehouden.
Door de schaduwen tussen de planken.
Door de lege ogen van de paspoppen.
Door het pakhuis zelf, dat ademde alsof het leefde.
Huilend viel ik op de grond en kroop in elkaar tegen de koude muur.
Ik had maar een half uur rust nodig. Gewoon om weer op krachten te komen, zodat ik verder kon.
Maar ik was te moe, en met mijn ogen dicht dreef ik weg.
***
Ik werd in vreselijke angst wakker toen ik besefte dat het geen droom was. Alles wat er gisteravond met me was gebeurd.
Ik was nog steeds in de war en bang, denkend aan de gebeurtenissen die hadden plaatsgevonden.
Ik was niet aan het dromen... Ik heb het echt gezien, toch?
Het was alsof iemand de grond onder mijn voeten wegtrok toen ik het besefte. Mijn oma gebruikte spreuken...
Maar dat was mijn oma, dezelfde die me had opgevoed nadat mijn ouders stierven.
Ik wist niet veel over mijn ouders; ik hoorde alleen maar mooie dingen van oma en opa.
Mijn ouders hielden zielsveel van elkaar en waren ontzettend gelukkig toen ik werd geboren.
Maar helaas kwamen ze om bij een auto-ongeluk, en dus namen mijn grootouders de zorg voor mij over.
Het enige wat ik van mijn vader en moeder had, was een foto.
Ik keek er vaak naar, en ik besefte al snel dat ik inderdaad meer op mijn moeder leek.
Ze leek me een aardige vrouw, haar lange zwarte haar viel in zachte golven over haar schouders, alsof het door de nachtwind zelf was gevormd.
Elke krul leek het licht anders te breken, soms zo diep als ebbenhout, soms met een vleugje donkerpaars, alsof ze een geheim met zich meedroeg in de schaduw.
Haar ogen waren groot en groen... niet het opzichtige groen, maar het warme, levendige groen van bemoste stenen, van bossen die de tijd was vergeten.
Ik wenste dat ik meer herinneringen aan mijn moeder had.
Ik miste haar zo erg in mijn leven, net als mijn vader.
Mijn grootouders zorgden liefdevol voor me, alsof ik het belangrijkste in hun leven was.
Maar toch voelde ik me leeg.
Ik viel nooit op en we leidden een bescheiden en ontzettend saai leven.
Tijdens school had ik nooit vrienden; ik was behoorlijk eenzaam.
Oma vertelde me altijd: „Op een dag zul je echte vrienden vinden die precies zijn zoals jij.“
Nadat ik klaar was met school, vond ik een baan en zorgde ik voor hen.
Ik vermeed mensen en ik was niet sociaal, omdat ik wist dat anderen me als vreemd zouden beschouwen.
Een meisje dat al van jongs af aan stemmen hoorde en de vreemdste dromen had.
Ik was niet het soort meisje waarmee mensen zich omringden.
En ik betwijfelde ten zeerste dat ze niet zouden denken dat ik gek was, en ook maar iets zouden geloven van wat ik ze over mijn enge dromen zou kunnen vertellen.
Oma was de enige die me geloofde.
Ik vertelde haar over mijn dromen.
Soms leek ze zich een beetje zorgen te maken.
Maar dat zou ik ook zijn, als iemand me vertelde dat ze al sinds hun jeugd met vreemden in hun dromen spraken.
Gisteravond, toen ik uit mijn werk kwam, kon ik het geluid van oma's en opa's verheven stemmen vanuit de gang horen.
Het geluid van hun ruzie nagelde me aan de grond, de sleutels bungelden nog steeds aan mijn vingers.
„We laten hen Iris niet van ons afnemen. Ze hebben onze Liora vermoord... Oscar, wees klaar, we hebben geen keuze. We kunnen ons niet langer verstoppen... niet meer voor mens spelen. De tijd is gekomen, we moeten haar beschermen. Ze is machteloos,“ huilde oma, een rauw geluid van paniek.
Toen ze me bij de deur zagen staan, trokken ze me in paniek naar zich toe.
Hun ogen waren vol angst, kijkend naar wat er achter me was.
Een harde duw. De deur vloog open.
Ik draaide me om en zag drie lange mannen met donker haar en zwarte ogen.
De duisternis om hen heen was niet zomaar de afwezigheid van licht... Het was iets levends.
Het klampte zich aan hun silhouetten vast als dikke teer, druipend van hun schouders en draden trekkend achter hun stappen, alsof de nacht zelf hen niet los wilde laten.
Zelfs het felle licht van een straatlantaarn die op het trottoir neersloeg, durfde hen niet volledig te verlichten.
Het werd opgeslokt door hun contouren, alsof iemand stukjes van de realiteit had uitgewist.
Hun gezichten waren slechts flauwtjes herkenbaar, maar de schaduwen erin waren dieper dan ze zouden moeten zijn, alsof hun oogkassen naar het niets leidden.
Wanneer ze ademden, stroomde de duisternis met hen mee, en stroomde het uit hun monden als rook die geen vuur kende.
En hun handen... hun handen waren nauwelijks zichtbaar, alsof ze al voor de helft waren versmolten met de duisternis om hen heen.
Volgden ze mij? Ze verschenen in een soort zwarte mist... waar kwam deze mist vandaan?
„Wat gebeurt er? Wie zijn jullie?“ schreeuwde ik, starend in de ogen van de man die naar me toe liep.
Ik herkende hem meteen... Dat is... de man uit mijn dromen.
Zijn lange, zwarte haar viel op de grond als gescheurde zijde, maar het bewoog niet in de wind... nee, het kroop alsof er duizend kleine spinnen in verborgen zaten, die elke lok als een afzonderlijk wezen beheersten.
Zijn gezicht was zo bleek als vergane maneschijn, zijn huid gespannen over scherpe botten, alsof de dood hem niet had kunnen voltooien.
Toch zijn ogen...
Leeg. Niet zomaar zwart, maar afwezig... Twee smeulende gaten in de eeuwigheid, gevuld met een haat ouder dan de tijd.
Geen sprankeling, geen herkenning, slechts een ijzige, onverzadigbare honger.
Toen ze zich op mij fixeerden, voelde ik hoe iets binnenin mij uitgehold werd, alsof deze pupillen mijn ziel stukje voor stukje verslonden.
Zijn blik gleed langs mijn lichaam en hij grijnsde. „Ik heb je eindelijk gevonden,“ fluistererde hij.
Maar op dat moment trok mijn oma aan mijn hand. Ze duwde me door de deur naar de veranda.
Opa mompelde iets, terwijl hij moedig in de weg ging staan tussen ons in.
Maar de man lachte alleen maar.
Het begon als een zacht, hees gegiechel... het geluid van droge bladeren die over grafstenen schraapten.
En toen groeide het, aanzwellend tot een holle, trillende lach die niet uit zijn keel leek te komen, maar uit de afgrond achter zijn ogen.
Elke uitbarsting van gelach was als een messteek, koud en berekenend, alsof hij niet zomaar plezier voelde... maar voldoening.
Een luid, kwaadaardig gelach... terwijl hij opa tegen de muur gooide met slechts een beweging van zijn wijsvinger.
Mijn oma schreeuwde, een doordringend, rauw geluid dat mijn bloed voor altijd zou doen stollen.
De mist slokte me op. Maar niet voordat ik zag hoe hun lichamen vielen. Hoe ze allebei vielen.
Mijn grootvader, ter plekke bevroren met die wijd opengesperde paarse ogen.
Mijn grootmoeder zakte in elkaar als een marionet waarvan de touwtjes waren doorgeknipt. Haar handen, nog half uitgestrekt, alsof ze in haar val naar mij zocht.
Ik was alleen. Gehuld in dit ademloze niets. En het ergste van allemaal?
Ik hoorde hen nog steeds.
De doffe plof van hun lichamen die de vloer raakten. De een... na de ander. Tot er niets anders dan stilte overbleef.
Stilte...
Toen — het geritsel van papier in mijn hand. De brief. Hun laatste geschenk.









































