
Gestolen door de Motorclub
Auteur
Lezers
308K
Hoofdstukken
33
Zeg je Gebeden
PHOEBE
De harde sirene loeide door de buurt en het geluid echode door de straten. Mijn voeten stampten op de natte straat.
Ik moest naar huis. Dat bekende geluid in de stad betekende maar één ding.
Er was een gat in de muur rond onze stad. Leden van de Vengeance Motorcycle Club waren in de buurt.
Terwijl ik de hoek om de steeg in sloeg, keek ik zenuwachtig over mijn schouder. Hoewel dit de kortste weg naar huis was, betekende het ook dat ik in de val kon zitten.
De gevaarlijke motorrijders konden overal zijn. Ze konden zelfs vlak achter me rijden. De moed zonk me in de schoenen.
Zolang ik me kan herinneren ben ik voor hen gewaarschuwd—door mijn leraren, door de politie en door mijn ouders.
Door hen kan ik niet alleen naar huis lopen uit school. Door hen kan ik in het weekend niet uitgaan. Verdomme, zelfs onze kinderliedjes gaan over de angst voor hen.
Mij is verteld dat mijn stad, New Bethlehem, ooit een gelukkige en vredige plek was. Maar zolang als ik de stad ken, leven we in abjecte angst voor de Vengeance Motorcycle Club en hun Club President.
De politie kan ze niet stoppen. Onze kerk, de hoogste autoriteit in New Bethlehem, doet niets anders dan hen aan het lachen maken. De priesters vertellen ons dat het duivels zijn.
Maar ik weet de waarheid. Het zijn gewoon mannen—grote, domme gorilla's met metalen machines en lak aan de regels.
Er is een handvol verschillende clubs—niet beter dan bendes. Ze runnen de buitenwijken van de steden en houden zich schuil in hun clubhuizen.
De leider van Vengeance MC is de grootste en ergste van allemaal. De Club President uit de hel. President Ash.
Alleen al zijn naam maakt iedereen in New Bethlehem erg bang. Sinds hij de baas is, heeft hij de rust in onze stad verpest.
Hij stal alles—vooral onze vrijheid. De legendes over zijn slechtheid doen volop de ronde.
Ze zeggen dat hij onschuldige meisjes uit onze stad ontvoert en als trofeeën aan zijn jongens geeft. Ze zeggen dat hij altijd een kap draagt omdat zijn gezicht te angstaanjagend is om aan te zien.
Ze zeggen dat moorden voor hem net zo normaal is als tandenpoetsen. Ik weet niet of deze verhalen waar zijn.
Het huis van mijn familie was maar een paar straten verderop. Ik haalde medicijnen voor mijn vader toen het alarm afging.
„Ga naar huis, jongedame!“ riep een oudere vrouw vanaf haar balkon naar beneden. „Snel!“
Het begint donker te worden; de maan verlicht het verlaten trottoir. Voor elk ander oog zou het tafereel onschuldig kunnen lijken—zelfs vredig.
Iedereens deuren zijn gesloten, hun gordijnen dicht. Hun hekken zijn op slot en de kinderen zijn veilig binnen—iedereen behalve ik.
Toen de Vengeance MC Club voor het eerst naar onze stad kwam, bouwden we een dikke muur die bedoeld was om onze kleine wereld van religie en vrede te beschermen. Maar zelfs die is niet sterk genoeg om ons tegen hem te beschermen.
Hij breekt toch wel in, dus we blijven elke nacht opgesloten in onze huizen. Muren en nog eens muren, maar geen van allen is genoeg om ons veilig te houden.
„Phoebe, waarom duurde het zo lang?“ vraagt mijn moeder bezorgd.
Ik schud met het zakje medicijnen in mijn hand.
„Hoe vaak heb ik je al gezegd dat je hier niet zo laat mee moet wachten?“
Ze trekt me naar zich toe voor een knuffel. Ik voel haar lichaam trillen.
Ik hou van mijn moeder, maar soms kan ze veel te beschermend zijn. Ze gelooft haar hele leven al in maar één ding: God is onze redder en zal dat altijd blijven.
Ze gelooft dat God alles wat we doen bestuurt en onze toekomst bepaalt via een of andere ondoorgrondelijke kracht. Ondanks dat ik in deze stad ben opgegroeid, geloof ik er niet in.
Toch heb ik er wel respect voor. „Moeder, het is goed,“ stel ik haar gerust. „Ik was terug voordat de zon onderging. Hoe kon ik weten dat de sirene zou afgaan?“
Ze zucht en wrijft met een hand over haar gezicht. Stress staat gegrift in haar ouder wordende trekken. Ze weet soms niet hoe ze met me om moet gaan—vooral niet als ik besluit tegen haar strenge regels in te gaan.
Ik doe het niet expres, maar ik ben gewoon heel nieuwsgierig. „Wat als Ash je had gezien?“ vraagt ze streng.
„Nou, ik zou niet weten of Ash me heeft gezien, want ik weet niet hoe hij eruitziet,“ bijt ik van me af, terwijl mijn stem luider wordt.
Moeder vernauwt haar ogen naar me. Ze haat de gedachte dat ik iets over Ash weet. Zijn uiterlijk is nog steeds onbekend voor me.
Hij zou me op straat voorbij kunnen lopen, en ik zou het niet weten. Maar zijn kap zou hem wel verraden. Door hem mag niemand in onze stad nog een kap dragen.
„Phoebe, alsjeblieft. Doe niet zo moeilijk,“ smeekt moeder moe. Ik kruis mijn armen over mijn borst.
Ik ben het zo zat om elke avond binnen te moeten blijven. Ik zie mijn vrienden niet meer op vrijdagavond.
Ik ben nog maar een paar stappen verwijderd van mijn afstuderen, maar dat betekent niet dat de regels van mijn moeder versoepeld zullen worden. Ze zal waarschijnlijk nog harder haar best doen om een man voor me te vinden.
Jong een man vinden is wat er van ons wordt verwacht in onze stad. Zodra ik ben afgestudeerd, is trouwen het eerste wat mijn moeder wil dat ik doe. Het aantal huwelijkskandidaten dat ik de afgelopen maand heb ontmoet is belachelijk.
„Alles goed hier?“ Ik draai me om als ik mijn vader de trap af hoor komen. Ons huis is niet erg groot, wat het doorbrengen van het grootste deel van mijn tijd erin nog erger maakt.
Mijn ouders houden zich aan het simpele leven dat God zou willen. Ik geef niet veel om materiële luxe, maar soms voel ik me wel een beetje tekortgedaan.
„Er is niets. Ik heb uw medicijnen.“ Ik zie dat mijn vader naar mijn moeder kijkt.
„Is ze net terug?“ Mijn moeder knikt.
Hij gebaart met zijn hoofd naar haar dat ze moet vertrekken, omdat hij weet hoe makkelijk zij en ik ruziemaken. Als ze weg is, leidt hij me naar de bank zodat we kunnen gaan zitten.
„Ken je de dochter van de buren? Mandy, toch?“
„Alice,“ verbeter ik hem.
Vader knikt. „Ash heeft haar vorige week meegenomen. Hij heeft haar rechtstreeks uit haar bed gestolen en ze is sindsdien niet meer gezien.“
Mijn ogen worden groot. Alice? Ze is een jaar ouder dan ik en veel knapper. Het verbaast me helemaal niets dat Ash haar heeft gekozen voor zijn slechte plannen.
„Waarom vertelt u me dit?“ vraag ik hem. Ik weet graag wat er gebeurt, maar ik had niet verwacht dat mijn vader dat wilde.
„Ik ben bang dat hij jou ook meeneemt. Elke ochtend ben ik bang om je kamer binnen te lopen, voor het geval ik ontdek dat hij je 's nachts heeft gestolen.“
Ik schud mijn hoofd naar hem. De kans dat ik word meegenomen is klein. Als hij al een ander meisje uit mijn wijk heeft meegenomen, zou dat moeten betekenen dat hij hier minstens een maand niet zal terugkomen voor een ander.
Het is het soort spelletje dat hij graag met mensen speelt. Hij sust ons in een vals gevoel van veiligheid totdat hij zijn patroon verandert en ons allemaal in verwarring achterlaat.
Vader pakt mijn hand en kijkt me in de ogen. „We willen allemaal weten waarom hij dit doet, Phoebe. Ik beloof je dat we het zullen uitzoeken en we hem zo snel mogelijk zullen stoppen.“
Hij knijpt zachtjes in mijn hand. Mijn vader runt onze plaatselijke kerk, wat me doet geloven dat zijn vermogen om Ash te stoppen niet erg groot is. De man voor wie we zo bang zijn is de President van een club die berucht is om zijn gebrek aan genade.
„Alles komt goed,“ stel ik hem gerust. „Burgemeester Miles zal de problemen uiteindelijk wel oplossen.“
Dat laat mijn vader glimlachen. Miles is onze enige hoop om een einde te maken aan dit lijden. Als hij het niet kan, maken we geen kans. Hij werd gekozen met één doel: alle one-percenters, de meest gewelddadige MC-clubleden, zullen worden opgesloten.
Ik geef mijn vader een knuffel en besluit meteen naar bed te gaan. De regen slaat ineens hard tegen het raam, waardoor ik schrik.
Ik heb onweer en bliksem altijd al gehaat… Ik moet gewoon rustig worden en gaan slapen, vertel ik mezelf terwijl ik de gordijnen dichttrek. Ik laat me te veel bang maken door de situatie met Alice.
Ik doe een elastiekje in mijn haar en ga de badkamer in. Misschien kan ik al mijn zorgen wegspoelen als ik ga douchen.
Ik zet het water extra heet en kleed me helemaal uit. Als ik onder de douchekop stap, waan ik me in een andere wereld—een wereld waar ik niet constant naar de regels van andere mensen hoef te luisteren.
Waar mijn ouders niet elke beslissing die ik neem dicteren. Ik laat mijn hoofd tegen de tegels rusten.
„Misschien is het wel mijn lot om bij de Deliverance Club te gaan,“ fluister ik tegen mezelf. „Een bende waar ik kan doen wat ik wil.“
Ik bedenk net hoe dom dit klinkt, wanneer er ineens een donkere schaduw beweegt. Ik kijk snel en verrast op.
Ik gluur uit de douche en kijk voorzichtig om me heen. Niets.
Nu voel ik me nog dommer. Ik stap uit de douche en zet het water achter me uit.
Terwijl ik mijn handdoek om mijn lichaam sla, probeer ik alle paranoïde gedachten van me af te zetten. De schaduw was waarschijnlijk slechts een hersenspinsel. Ik sta erom bekend een levendige fantasie te hebben.
Ik ben me volledig bewust van de dreiging die President Ash voor mij en mijn familie vormt, maar onder normale omstandigheden kan ik het niet opbrengen om hem te vrezen. Toch, om de een of andere reden, zorgt de rilling die vanavond over mijn rug danst ervoor dat ik me wel twee keer bedenk.
Buiten klinkt er een harde klap onweer, waardoor ik gil van schrik. Ik dank God dat de gordijnen de felle bliksem tegenhouden.
Ik droog me af en ga terug naar mijn kamer, waar ik snel mijn pyjama aantrek. Daarna doe ik de lichten uit en spring ik meteen in bed, met de dekens helemaal opgetrokken tot aan mijn kin.
Ik wil deze storm gewoon wegslapen en morgen verdergaan zonder dat Ash in mijn hoofd zit. Maar hoe meer ik mijn best doe om lekker te liggen, hoe moeilijker het is om niet aan hem te denken.
Mijn geestesoog wordt vertroebeld door vreemde schaduwen. Ik sta op het punt in te doezelen bij het geluid van de regen die tegen mijn raam klettert, wanneer een bliksemflits mijn kamer verlicht.
Op dat moment zie ik hem. Er staat een man aan het voeteneind van mijn bed. Hij is helemaal in het zwart gekleed.
Ik wil gillen. Ik wil rennen. Maar voordat ik meer tijd heb dan om naar adem te happen, zit hij al op me en klemt een hand met een leren handschoen zich over mijn mond.
Ik heb nooit zelfverdediging geleerd en elk idee van wat ik moet doen verlaat me. Ik stribbel zo hard als ik kan tegen, terwijl ik in zijn hand schreeuw, ook al klinkt het gedempt.
Ik schop terwijl ik uit bed word getrokken. Ik voel dat hij druk op mijn nek uitoefent, en heel even denk ik dat ik op het punt sta om te sterven door verwurging.
Nou, ik geef me niet zomaar over! Mijn benen zijn mijn enige wapens.
Ik trap wild om me heen om de enkels van mijn aanvaller te raken. Maar ik mis elke keer en mijn blote voeten raken alleen maar lucht.
„Rustig maar. Alles is zo voorbij,“ fluistert hij in mijn oor. Maar ik word niet rustig.
Zelfs wanneer ik mijn zicht zwart voel worden, blijf ik terugvechten. Een angst die ik nog nooit eerder heb ervaren explodeerde door me heen op het moment dat ik hem zag.
Want hij draagt een kap.









































