
Het vuur dat ons verbindt Boek 2
Auteur
Lezers
82,6K
Hoofdstukken
30
Epiloog
LYDIA
Lydia denderde de heuvel af naar het stadscentrum. Ze rende zo hard als ze kon. Het Boek van Decimus klapte steeds tegen haar lichaam.
Ze moest Aramis vinden.
Hij was de enige die haar en de andere Slifers kon helpen. Hij was de enige met een connectie met de Goden.
Toen Lydia een uur geleden vanuit de Tuin van Nobele Herinneringen op het plein aankwam, voegde ze zich bij de Slifers, die dicht bij elkaar stonden.
Ayana hyperventileerde terwijl Redmond haar hand vasthield. Hij keek naar de grond en zei niets.
„En?!“ hapte Lydia naar adem. „Wat gaan we doen?“
Elise keek haar aan. Lydia had er niet bij stilgestaan dat niemand het zou weten. Dat niemand een plan zou hebben om de koninklijke familie van Ignolia te vinden. Maar de lege blikken van de Slifers lieten zien dat ze net zo radeloos waren als Lydia.
„Waar was je?“ vroeg een zachte stem achter haar. Toen Lydia zich omdraaide, zag ze prinses Lis. Haar gezicht stond strak.
„Ik was…“ begon Lydia, voordat ze besefte dat ze dat niet kon zeggen.
„Je hoorde hem te beschermen,“ zei Lis. De ijskoude blik in haar ogen liet Lydia's bloed zowat stollen.
„Lis…“ begon Lydia. Wat had ze kunnen doen, zelfs als ze daar wel was geweest?
David verscheen achter de prinses. Hij glimlachte even naar Lydia.
„Schatje,“ zei hij tegen Lis, „laten we gaan.“
Er begonnen zich tranen te vormen in de ogen van Lis. Ze knipperde niet terwijl ze naar de Vuur-Slifer keek. Ze draaide zich zonder een woord te zeggen om.
„Ik ga hem vinden!“ riep Lydia de prinses na.
Toen ze zich weer tot de Slifers wendde, wist Lydia dat er maar één man was die hen kon helpen. Nou ja, één dwerg, eigenlijk.
En dat was de reden dat ze naar de boekenwinkel van Aramis was gerend.
Buiten adem aangekomen, bonkte Lydia op de deur. Toen hij geen antwoord gaf, klopte ze zo hard dat het hout leek te splijten door de kracht.
Ze wierp haar hoofd naar achteren, sloot haar ogen en zuchtte. Toen ze ze weer opendeed, stond de deur op een kier.
„Aramis!“ riep ze, en ze liep naar binnen.
Maar de dwerg was nergens te bekennen. De winkel was donker en koel, alsof er al dagen niemand was geweest.
Waar kon Aramis naartoe zijn gegaan? En als hij hier niet was, wie had dan de deur geopend?
Lydia liep langzaam door de ruimte. Voor het eerst sinds de koninklijke familie van Ignolia was verdwenen, had ze een moment om na te denken.
Wat moest ze nu doen? Aramis was hier niet, en Lydia had geen idee waar ze anders naartoe moest.
De oude, versleten bank van Aramis stond op de vaste plek, en Lydia liet zich erop vallen. Ze legde het boek op tafel. Ze sloot haar ogen en drukte haar vingers tegen haar slapen.
Plotseling hoorde ze het geluid van vuur dat werd aangestoken. Ze opende haar ogen en zag dat de openhaard brandde, net als de kaarsen. De ruimte voelde weer warm en licht aan.
Ze wilde net Aramis roepen, toen ze een figuur in de hoek opmerkte.
„Goden!“ hapte Lydia naar adem, terwijl ze zich wezenloos schrok.
„Wees niet bang, kind van de vlam,“ zei de figuur met een lage, rustige stem. Lydia merkte dat het haar kalmeerde, ook al klopte haar hart als een bezetene.
Ze stond op. „Wie ben je?“
De figuur leek niet op een Tovenaarsjager, maar Lydia kon niet voorzichtig genoeg zijn.
De figuur bleef op zijn plek staan. Hij was langer dan Lydia en droeg een zwarte mantel met een capuchon die zijn gezicht verborg.
Toen ze naar de tafel keek, besefte Lydia dat Het Boek van Decimus was verdwenen. Dat was vreemd.
De figuur begon te praten.
„Je zult ontdekken dat je weet wie ik ben,“ zei hij, „als je diep in jezelf kijkt.“
Na een korte stilte antwoordde Lydia: „Ik zie helemaal niets.“
Hij zei niets, maar alle vuren in de kamer begonnen te groeien. Heldere vlammen krulden uit de openhaard. De kaarsen laaiden hoog op.
Plotseling voelde Lydia het tot diep in haar botten.
„Jij bent Decimus,“ fluisterde ze.
De vuren bleven feller branden. Lydia voelde de hitte op haar huid. De kracht van de vlammen was zo enorm dat Lydia wist dat hij het hele gebouw in een oogwenk kon platbranden, maar dat deed hij niet.
„En jij bent mijn dochter. Lydia Voltaire, Vuur-Slifer.“
Bij deze woorden voelde Lydia een warmte in haar hart die ze nog nooit eerder had gevoeld. Het gevoel van acceptatie verwarmde haar hele lichaam. Het gevoel van familie.
Hij deed een stap naar haar toe, en onder zijn capuchon kon ze ogen zien die brandden net als de hare.
„Mijn vader…“ bracht Lydia uit, het was nauwelijks een fluistering. Daarna trok de figuur haar naar zich toe en werd ze in een stevige knuffel gesloten.
De twee bleven even zo staan. Ze hielden elkaar voor de eerste keer vast. Lydia's hart, dat die dag al zo veel had doorstaan, voelde alsof het kon barsten.
Hij hield haar op armlengte afstand. „Zo, vuurvliegje, laat me je eens goed bekijken.“
Ze kon zijn gezicht nog steeds nauwelijks zien, maar ze voelde een onmenselijke kracht van hem afstralen. Hij was tenslotte een God.
„Je bent zo mooi. Zo vol leven,“ zei hij. „Zullen we thee zetten en eens rustig praten?“
Meteen vulde de bekende, scherpe geur van thee de kamer. De geur van… pompoenthee.
Lydia hapte naar adem. „Jij bent ook Aramis?!“
„Inderdaad, mijn kind,“ bulderde haar vader, „ik ben al die tijd bij je geweest.“
„Nu ga ik wat thee voor ons inschenken.“ Zijn ogen straalden van warmte en liefde. „En daarna moeten we echt ter zake komen.“
LUCIUS
Lucius keek naar buiten door de rode mist.
De Piek van Waanzin. Het was helaas bekend terrein voor hem geworden.
Er was niets prettigs aan de rotsen van de berg, die zo scherp waren als gebroken glas. En de mistige, rotte lucht bleef stil hangen. Het werd er nooit zo licht als overdag, en nooit zo donker als de nacht.
Het gekrijs van krankzinnige gieren klonk luid terwijl ze over de rotsen zwierven, op zoek naar alles wat dood was.
Lucius' kamp lag halverwege de berg. Hij had een kleine tent en een kachel getoverd, en een klein waterbadje om zich te wassen. Het voelde genoeg als thuis.
Hij was een oude man. Hij had geen luxe nodig.
Nu stond hij voor de poel en balanceerde steentjes op het wateroppervlak. Dit was een oude truc die hij van een vriendelijke heks had geleerd, toen hij nog een jonge tovenaar was.
Als je steentjes gebruikt van de plek die je wilt zien, kun je ze laten balanceren op elke waterpoel en er een portaal naartoe maken. Je kunt er natuurlijk alleen doorheen kijken.
Maar kijken was het enige dat Lucius nodig had.
Sinds zijn terugkeer naar de Piek, had hij vanuit de binnenkant van de berg gebulder, geschreeuw en gedans gehoord. Een misselijkmakend gedans en het breken van botten.
Hij wist dat Uzier daar zijn schuilplaats had gemaakt. Hij was zijn leger aan het opbouwen. En ze werden onrustig.
En Lucius ging uitzoeken wat ze van plan waren.
Toen de steentjes op hun plek lagen, begon Lucius te prevelen. Hij sloot zijn ogen en stak zijn hoofd onder water in de poel.
Toen hij ze opendeed, bevond hij zich boven in een enorme grot. Hij keek naar beneden en zag twee figuren in het zwakke licht. Door met zijn vingers over de steentjes op het water te wrijven, kon hij zijn blikveld aanpassen.
Totdat hij praktisch recht boven hun hoofden hing.
De vrouw met de lekkende wond in haar nek en de waanzinnige Koning. Zijn huid was net als die van haar: stralend wit en doorschijnend door de jaren in het donker.
Hij droeg een enorme, roestige kroon, en zijn ogen puilden uit terwijl hij staarde naar iets achter Lucius.
Lucius draaide zich om en zag vier graftombes van rood marmer. Op het oppervlak waren ingewikkelde doolhoven met kronkelende paden gekerfd.
De geulen van elk doolhof waren gevuld met bloed.
Runen, wist Lucius. Een donkere magie die zo gevaarlijk was dat weinig tovenaars het hadden geprobeerd. En nog minder waren erin geslaagd.
De spreuk vereiste een bijna dodelijke hoeveelheid bloed. Toen hij weer naar Uzier en Evine keek, merkte Lucius verse, centimeters lange sneden op elke arm en been van Uzier op.
Zijn kleding was opgerold, zodat de wonden niet werden aangeraakt.
Wat een gruwelijk paar, dacht Lucius bij zichzelf.
Evine stond op haar tenen en reikte omhoog om Uzier onder zijn kin te kussen.
„Mijn liefste,“ zei hij, en hij boog voorover om haar in haar nek te kussen, ook al bloedde die. Lucius kokhalsde.
„Weet je zeker dat het tijd is, mijn lieveling?“ koerde ze. „Ik ben bang dat je te zwak bent.“
„Ik ben nooit zwak.“ De stem van de Koning was scherp. Hij greep haar hand zo stevig vast dat ze een kreetje slaakte.
„Natuurlijk, mijn Koning,“ zei ze snel.
„Geef ze nu aan mij.“
Ze haalde een fluwelen zakje uit de zak van haar lange mantel. Hij pakte het van haar af en leegde het in zijn open handpalm.
Er rolden vier jadegroene stenen uit. Ze waren groot en vulden zijn hele hand.
Lucius keek hoe Uzier ernaar staarde. Alsof het de enige dingen op de wereld waren.
De waanzinnige Koning bracht ze naar zijn ogen en mompelde zachtjes. Daarna streek hij er liefkozend met zijn wang tegenaan.
Evine keek hem aan. Haar gezicht was uitdrukkingsloos. Alsof ze een pop was, alsof ze leeg was.
De Koning fluisterde nog steeds tegen de stenen. De graftombes met hun spookachtige inscripties stonden nog steeds op het altaar.
Lucius had genoeg gezien. Hij trok zijn gezicht uit de poel.
„Godverdomme,“ zei hij. Zonder het water van zijn gezicht te vegen, nam hij een flinke slok uit zijn veldfles.
Hij ging staan. Er was geen tijd te verliezen. Het plan van Uzier was verder gevorderd dan Lucius dacht.
Het was tijd om zijn eigen leger op te bouwen.













































