
De dracones
Auteur
Kellene
Lezers
18,8K
Hoofdstukken
49
Hoofdstuk 1
Langs de koude, gladde stenen beweeg ik me zo stil als de dood. Mijn laarzen maken geen geluid, terwijl mijn masker het geluid van mijn ademhaling dempt. Schaduwen verbergen mijn gehulde gestalte terwijl ik langs de muur glijd, één hand op het mes dat aan mijn been is vastgebonden.
Nog geen twee meter voor me ligt koning Draven. Hij is in diepe slaap; zijn luide gesnurk laat daar geen twijfel over bestaan.
Donkerpaarse lakens bedekken grotendeels de koning en zijn slapende maîtresse. Ze is pas net achttien geworden en is hier sinds die dag. Ik hoor hoe ze haar gehuil probeert te onderdrukken, wat een pijnlijke grimas bij me uitlokt; het geluid roept afschuwelijke beelden op in mijn gefocuste geest.
Snel duw ik de beelden weg en glijd verder langs de muur, zorgvuldig de tafels vermijdend. Ze staan vol met flessen drank en metalen bekers. Zelfs de kleinste aanraking zal de wachters op mijn aanwezigheid wijzen.
Ten teken van mijn voortgang stap ik op een rood kleed dat de vloer onder het bed bedekt. Hoewel het kleed dik en zacht is, zijn de contouren van een handgreep zichtbaar die een luik eronder verbergt. Ook zijn de bloedvlekken van zijn vorige minnares te zien, die zwanger raakte.
Ik onderdruk mijn angst en blijf langs de donkere muren bewegen. Het maanlicht dat door het open raam naar binnen valt, belicht de uitpuilende buik van de koning. Hij glimt van het zweet en zakt door in het matras. Verontrustend genoeg heeft mijn brein het lef om zich de dikke koning ‘in actie’ voor te stellen.
Ik bijt op mijn tong om niet misselijk te worden. Waarom, brein?
Eindelijk bereik ik het houten nachtkastje naast de walgelijke man. Stilletjes open ik de zware lade en pak zijn buidel met munten eruit. Ik stop hem onder mijn strakke shirt om het geluid te dempen.
Omdat ik me ondeugend voel, besluit ik ook zijn kettingen en ringen mee te nemen.
Wanneer de eerste helft van mijn missie voltooid is, rol ik onder het massieve bed. Daarbij raak ik bijna de po, die gelukkig leeg is. Ik schuif hem naar de hoek van het bed en kom aan de andere kant van het bed tevoorschijn. Ik ga op mijn knieën zitten en bekijk het toegetakelde meisje.
Haar donkere huid en engelachtige gezicht maken meteen duidelijk waarom de koning zich tot haar aangetrokken voelt. Een andere reden is haar familie. Prinses Mytheena.
Ze zou moeten trouwen met de toekomstige Hoge Koning Derrick Bronznic, een lichtgetinte man wiens schoonheid de hare evenaart. Ze zijn aan elkaar gekoppeld toen Derrick werd geboren, twee dagen na Mytheena. Maar zelfs zonder de regeling zou het zijn gebeurd.
Die twee zijn smoorverliefd op elkaar, en dat al sinds hun vijfde.
Wanneer ze mijn blik voelt, opent Mytheena haar amberkleurige ogen en spert ze wijd open bij mijn aanblik. Vliegensvlug bedek ik haar mond met mijn gehandschoende hand, terwijl ik met mijn andere hand één vinger tegen mijn lippen leg om haar stil te houden. Ik schud mijn hoofd naar haar wanneer ik voel dat ze haar mond opent.
Meteen fronst ze. Ik haal een blauwe vlinderclip uit mijn zak en houd hem omhoog zodat ze hem kan zien. Zo snel als ze kan, grist ze hem uit mijn hand en drukt hem tegen haar borst.
Langzaam haal ik mijn hand van haar mond en gebaar dat ze naast me moet komen. Ze kijkt over haar schouder om te zien of haar kwelgeest haar beweging opmerkt, terwijl ze geruisloos van het bed glijdt. Ik steek één vinger op en graai in een buidel die in mijn kleding is genaaid.
Snel haal ik een ontvoeringsbriefje en een dode rat tevoorschijn. Mytheena kijkt me wantrouwend aan terwijl ik een mes uit mijn laars trek. Ik leg het briefje op het bureau met de rat erbovenop, en steek het mes behendig door beiden heen, zodat de boodschap duidelijk is.
Terwijl Mytheena me angstig aanstaart, kom ik in beweging. Ze aarzelt geen seconde en volgt me op de voet —er is geen ruimte voor fouten. Ik leid haar naar het open raam en kom langzaam overeind om het terrein te verkennen.
Wachters lopen rond op de binnenplaats, hun blikken dof en ongeïnteresseerd. Ze vinden dit saai. Ik geef ze geen ongelijk.
Voor zover zij weten is er al tien jaar niet meer ingebroken in het Fort.
Ik gebaar Mytheena dat ze me moet volgen. Ik grijp het met klimop bedekte hekwerk vast en begin naar beneden te klimmen. Door ons in de begroeiing te verbergen kunnen we naar de tuin afdalen zonder gezien te worden. We moeten voorzichtig zijn om de aandacht van de boogschutters niet te trekken, die op nog geen twintig meter afstand van ons zijn. Maar Mytheena is langzaam en onhandig en het kost ons zeker vijf minuten om naar beneden te komen.
Ze is nog een meter of twee van de grond verwijderd, wat me tijd geeft om me in de klimop te verbergen en vooruit te kijken. Haar traagheid blijkt op dat moment een zegen.
Ik weet haar net op tijd de beschutting van de klimop in te trekken terwijl er wachters op hun ronde dichterbij komen. Zodra ze voorbij zijn, trek ik haar uit onze schuilplaats en houd haar laag bij de grond terwijl we verder ontsnappen. We blijven dicht bij de muren en hun schaduwen, maar haar ongetrainde voeten maken geluid bij elk klein obstakel.
Ik krimp ineen bij elke tak die ze onhandig breekt.
Het is een wonder dat we het kanaal weten te bereiken zonder opgemerkt te worden. Op dat moment begint Mytheena tegen te stribbelen. Ik moet haar het water in trekken.
Het is alsof ik een paard achter me aansleep. Ze verzet zich hevig. Maar mijn wilskracht weerhoudt haar ervan om me terug te trekken en ons allebei in de modder te laten vallen. IJskoud water grijpt aan onze voeten en sleurt ons langzaam mee in de stroming, alsof het onzichtbare handen zijn.
Alleen mijn verstand weerhoudt me ervan om weer aan wal te gaan. Het enige wat de prinses ervan weerhoudt om te ontsnappen, is mijn stevige greep op haar trillende hand, en haar lot bij de koning.
Al snel wordt mijn ademhaling moeizaam. Het voelt alsof er iemand op mijn borst zit, en hoe langer ik in het water blijf, hoe zwaarder die persoon wordt. We blijven zo dicht mogelijk bij de oever van het kanaal, maar onze tijd loopt af.
"We moeten onder water," zeg ik tegen haar wanneer we bij de lage brug komen, waar tralies voor hangen die bedoeld zijn om inbrekers af te schrikken. "Ze gaan maar tot halverwege, dus we moeten eronderdoor zwemmen."
Ze schudt haar hoofd naar me, terwijl haar bange greep op me strakker wordt. "Dat kan ik niet. Ik heb jouw vaardigheden niet."
Ik onderdruk een gefrustreerde kreun. "Kijk me aan, Mytheena. Ik weet dat je bang bent, maar je hebt de kracht. Je hebt het twee weken bij die schoft koning Draven volgehouden. Je hebt het recht verdiend om verder te gaan met je leven en gelukkig te zijn. Je hebt de kracht om het te doen. Je hoeft me alleen maar te vertrouwen. Ik beloof dat ik je veilig zal houden."
Ze begint haar hoofd te schudden. "Ik kan het niet. Ik kan het niet. Ik kan niet zwemmen."
Deze keer kreun ik hardop. Ik zwem om haar heen en leg één arm om haar middel. "Doe gewoon wat ik doe, en verzet je niet tegen me."
Mytheena kijkt me vastberaden aan, haar kaak gespannen en lichtjes knikkend. Zodra ze diep ademhaalt, duw ik haar onder water en volg haar dan. Ze trappelt wanneer ze mijn benen tegen de hare voelt.
Met mijn vrije hand leid ik ons langs de tralies naar beneden. Ik kan ze niet zien omdat het water troebel is. Zodra we onder de tralies door zijn, begin ik de tunnel in te zwemmen.
Ik duw ons door het water en probeer ons vooruit te krijgen met mijn vrije arm. Het duurt niet lang voordat Mytheena mijn bewegingen kopieert, waardoor we sneller door het stromende water bewegen en het gewicht dat ik draag enigszins verlicht wordt. Dat komt goed uit.
Vrijwel alles wat ik draag trekt me naar beneden, en zij ook. Misschien had ik niet zoveel goud moeten meenemen. Mijn spieren werken twee keer zo hard als normaal, wat nooit goed is als je in ijskoud water zwemt.
Ik blijf onder water zwemmen nadat we de tunnel zijn gepasseerd. Uiteindelijk laat ik haar middel los en sleep ik Mytheena mee die zich vasthoudt aan mijn shirt. Zodra we de bocht om zijn, kom ik boven water om adem te halen.
Het is onmogelijk om stil te blijven terwijl we scherp inademen om onze longen te vullen, en vervolgens weer hard uitademen. Mijn lichaam smeekt om uit het koude water te komen, dus trek ik hard aan Mytheenas hand om ons naar de oever te begeven.
Eenmaal uit het water en op het land, gun ik haar geen tijd om uit rusten. Ik trek haar mee en ren rechtstreeks naar de bomen. Ik volg de geur van een vuur verderop, en we rennen zwijgend door het bos, terwijl ik aandachtig luister naar elk teken van achtervolging.
Hoewel het maanlicht ons net genoeg licht biedt om de bomen voor ons te zien, struikelt Mytheena steeds over onzichtbare wortels. Om dit op te lossen, grijp ik snel haar hand en laat haar achter me aan rennen.
Ongeveer tien minuten nadat we het bos in zijn gerend, zie ik verderop een zwart Clydesdale-paard, wat me enorm oplucht. Een grote glimlach verspreidt zich over mijn gezicht. "Miny!" roep ik naar het lieve paard, terwijl de warmte zich door mijn lichaam verspreidt.
We hebben het gehaald.
Even trekt Mytheena aan mijn arm, maar volgt me toch. Het prachtige paard komt meteen naar me toe draven zodra ze me hoort roepen.
"We zullen zo het kamp binnengaan om mijn partner te ontmoeten," waarschuw ik haar, zodat ze tijd heeft om zich voor te bereiden. "Zodra we ons hebben omgekleed gaan we er weer vandoor, voor het geval we worden gevolgd."












































